Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SPORT IN BEELD.

Portretten met de lens en met de pen.

II Th. C. P. M. Kolfschoten.

De heer Th. C. P. M. Kolfschoten, de tegenwoordige voorzitter van den N.W.B., is Arnhemmer van geboorte. Hij aanschouwde er dd. 19Meil881 voor 't eerst de zon (of het hemel-water).

Reeds op jeugdigen leeftijd evenwel vertrok hij uit het Geldersch Haagje, waar Kolfschoten's vader als advocaat gevestigd was. Het gezin verhuisde, wegens benoeming van laatstgenoemde tot rechter, naar Den Bosch. Dat zal in de jaren 1883 of '84 zijn geweest!

Daar, in Den Bosch, begon Kolfschoten's sport-loopbaan. Hij ging voetballen, bij Victoria, dat destijds de groote rivaal was van Noad uit Breda. Victoria deed haar naam echter niet langen tijd eer aan. Wilhelmina kwam opzetten. Nadat zelfs de Victorianen kampioen van de 2e klasse Zuid waren geweest, ging de vereeniging te gronde. Kolfschoten verkeerde in dien tijd veel in Rotterdam, wilde blijven voetballen, en kwam bij het Rotterdamsche Rapiditas te land.

Ja! — zoo verhaalde degene, dien ik voor dit interview opereerde — Dat was nog in d'n goeien tijd van Rapiditas. Het zal in 1899 geweest zijn. Immink speelde nog, Maarten Koomen en anderen! Ik bleef er twee jaar, en kwam toen voor Wilhelmina uit. In die periode heb ik ook nog veel aan Cricket gedaan, en zelfs met m'n vriend, Chapelle, dezelfde, die later voor H.V.V. speelde, in Den Bosch 'n Cricket-club opgericht.

Dan komt er een ommekeer in Kolfschoten's leven. Hij gaat naar Amsterdam. Wordt student in de rechten. En waar het hem, tijdens die studie, te lastig is om iederen Zondag in het Zuiden te gaan voetballen, wordt hij lid van het Utrechtsche Hercules. Dat was in 1903. Hij heeft twee jaar voor de Stichtenaren gespeeld.

Hiermede werd achter Kolfschoten's Voetbal-loopbaan een punt gezet. Hij zegde de juridische studie vaarwel, bleek meer voor de administratie te voelen, bleek voor nog iets anders te voelen, n.1. het Boogschieten, maar dan door 'n klein wezentje, Amor genaamd, hij kwam op secretarie te Veghel, werkte voor het diploma van de Vereeniging voor Gemeentebelangen — en dan schiet er weinig tijd voor het fascineerend bruine monster over. We schreven toen 1907.

— En deed je nog aan andere sporten?

— W'rempel! O.a. Paard-rijden! Toen ik in Amsterdam studeerde was ik 'n hartstochtelijk ruiter, en iedere dag kon je me in de Hollandsche manege vinden. Ik was er ook bestuurslid van de Kon. Studenten Schietvereeniging — trouwens ik schiet nog — en als student reed ik natuurlijk schaatsen, waarvan ik een groot liefhebber ben, en speelde bandy. Ik zei daar net: ik schiet nog!

Ja, ik ben 'n hartstochtelijk jager. Bij m'n schoonvader in Brabant hebben we 'n groot jacht-terrein. La's kijken! Ik ben nu al aan m'n achttiende jacht-acte. Dus ik behoor al achttien jaar tot de Nimrodszonen.

— En de Wielrensport ?

— Dat deden we hoofdzakelijk onder vrinden. We reden op de ouwe Tilburgsche baan, en ik had onder het clubje 'n zekere vermaardheid als lange-baan-rijder. . . .

Kolfschoten lachte hartelijk bij deze laatste herinnering.

— En wat m'n maatschappelijke loopbaan betreft ? — zoo vervolgde hij — Ik voelde tenslotte meer voor de administratie dan 't advocaatje worden, alhoewel ik in die dagen ook wel eens aan de recherche heb gedacht....

— Dat had je in de N.W.B. van pas gekomen!

— Tenslotte ben ik burgemeester geworden. In 1910 te Gestel en Blaarthem, en in 1918 in Edam!

— En van wanneer dateert nou je eerste contact met den N.W.B. ?

Even dacht de ondervraagde na.

— Ja! Dat was, toen John Stol weer voor de tweede maal ging rijden. We hadden toen, ik, Van der Horst, en nog 'n paar anderen, i n Gestel 'n wielerbaan opgericht. In de omgeving van Eindhoven waren veel grasbanen. Maar wij verkozen 'n houten. Die is toen tot stand gekomen. Enfin, je werd jurylid bij wedstrijden. We hebben de 24-uursrace door Brabant georganiseerd. En zoo kwam je er van lieverlee in. . . .

De man, die veel geroepen werd, en telkens weer kwam, totdat

— En wanneer werd je bestuurslid?

— Ongeveer in 1916 ben ik tweede voorzitter van de N.W.B. geworden. En toen Adrian naar Parijs ging, werd ik praeses. Dat is juist één jaar geweest voordat het nieuwe reglement van den bond werd ingevoerd. Dat nieuwe reglement was ook de reden, dat ik maar één jaar voorzitter ben gebleven. . . .

— Wat was de steen des aanstoots er in ?

— Nou! 't Was, volgens mij, van veel te grootsche opzet voor ons klein bondje. Al die gedelegeerden en provinciale vergaderingen, die handen met geld kosten! En dan vond ik dat nieuwe reglement niet democratisch genoeg. Waarom het spreek-recht aan de leden ontnomen ? Ik heb in die dagen er al voor gewaarschuwd. En nu zie je het resultaat....

— Toen kwam Viruly, hè ?

— Juist! Maar toen de wereldkampioenschappen voor de deur stonden, durfde Viruly de organisatie niet aan, en toen werd ik in 1923 aangezocht om die wereldkampioenschappen voor te bereiden. Ik met nog enkele andere menschen, onder wie Fokkinga! En men vond die organisatie blijkbaar zóó goed, dat ze me na de kampioenschappen automatisch weer terugriepen, en in het najaar van 1925 werd ik voor de tweede keer voorzitter.

Plots begon Kolfschoten sneller te spreken, als wilde hij over het nu volgende heen-glijden. Het nu volgende! Dat zoo onaangename in het bondsleven!

— In 1926 kwam de „Milaan-Hetze", zooals je weet. De val van Fokkinga! Ik meende toen, dat ik niet meer het vertrouwen had, en stelde mijn mandaat ter beschikking van de algemeene vergadering. Ze hebben toen Adrian weer gekozen....

Er lijnde zich nu een lachje om Kolfschoten's mond. Hij vervolgde:

— Toen hebben ze wéér 'n beroep op me gedaan. Ik redeneerde zoo: als ik weer het vertrouwen van de bond heb, zal ik 't doen. Uit liefde voor de sport! Ik had er in die tijd heel wat betrekkingen en baantjes bij gekregen. M'n vrouw mopperde. Heusch! Ik deed 't niet voor m'n pleizier. Alleen om de boel wat op te redderen!

Er flitste 'n roode gloed over het gelaat van den Voorzitter, en hij zegde 't, geprikkeld:

— En nu ik de juiste toestand in de bond aan de vergadering meedeel, nou begint de herrie opnieuw. Had ik dan moeten zeggen: Hirschman heeft 't zoo schitterend gedaan, er is achtduizend gulden te kort ? Dat zou toch te gek zijn geweest....

Even dacht hij na. Dan vervolgde de verteller:

— Wat zou ik nu voor reden hebben om dwars te zijn ? Ik ambieer 't zaakje heusch niet. Ze hebben me geroepen en terug-geroepen. Wat de heeren, d.w.z. de algemeene vergadering, willen, dat zal ik uitvoeren. Dat heb ik toch in m'n gemeenteraad geleerd en gedemonstreerd. Dat ik de zaak niet op de

22

Sluiten