Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

27

SPORT IN BEELD.

FEUILLETON

De

I^oman

VAN ÜAAP

Epen

De

Grootste

sportsman,

die

ooit

door LEO LAUESl

(Vervolg.)

Jaap's prijzen .

In een stille, bijkans triestige straat van Groningen woonde in het jaar 1913 nog altijd Jaap Eden's vader. Ik heb hem in dezen, eveneens triestigen, oorlogstijd eens opgezocht. Het was een echte Hollandsche kleine-stad-straat. In den ochtend rammelde het karretje van den melkboer, de bezem van een reinigend dienstmeisje knerpte over de klinkers, het galm-roepen van een venter weerklonk, je zag deze menschen, honden, die malkander besnuffelden, en verder huizen, een eindelooze rij huizen, zoo op 't oog zonder licht en leven.

Aan de deur van een boven-woning schelde ik aan. En vreemd — meteen was ik temidden van leven, en nog wel sport-leven. Een man op leeftijd stond tegenover me, met ietwat waterige, uitpuilende oogen, een afhangende snor, iemand, die in weinig herinnerde aan Jaap Eden. En toch was deze zijn vader. . . .

Ik zegde hem het doel van mijn komst: de prijzen-kast! De oude heer keek me onderzoekend, met een soort van detective-blik, aan, mompelde iets vrij norsch, en wees me een soliede, ouderwetsche, geornamenteerde kast in een hoek van de bescheiden kamer. Boven dit meubel het portret van Jaap! Als rakker nog! Als schaatsenrijder! Gemaakt in het begin van zijn loopbaan. Maar toch met de kampioen-sjerp, de blikjes er aan bungelend, om. En beneden dit konterfeitsel in lijst hing de sjerp zelf, zwaar geborduurd met den titel „Amateur World Champion".

De vader deed de kast open. Op den fluweelen achtergrond hingen de vele medailles, veelal gouden, veelal voor kampioenschappen behaald. Dan lauwerkransen, het vermaard Rademaker-schild, verschillende fraaie kunstvoorwerpen, zooals fruit-mesjes in standaard, whiskykaraffen, zilveren broodbakken, een eier-stel!etje, een exotische ossenhoorn met zilveren beslag, een portret-lijstje van hetzelfde metaal, en dan vier fraaie, fiksche bekers, waaronder die, welke Jaap in 1893 te Amsterdam voor het wereldkampioenschap Schaatsenrijden had gewonnen, zwaar bewerkt, voorzien van het hoofdstedelijk stadswapen in email, en verder nog een bokaal van den koning van Noorwegen.

Met zichtbaren trots toonde de vader deze prijzen van zijn jongen. Terwijl ik ze beschouwde, had hij niets gezegd. Toen ik mijne bewondering kenbaar maakte, begon hij te keuvelen.

— U kent Jaap, hè, meneer ? Ik knikte toestemmend.

— U zult ook wel veel van z'n leven gehoord hebben ?

— Dat heb ik... .

— Dan begrijpt u waarschijnlijk ook wel, waarom ik die prijzen hier heb, en onder m'n hoede houd!

Ik begreep....

Toen wees hij nog eens aan, verklaarde gelijk een gids. Maar niet als de museum-automaat, uitwauwelend een zeur-lesje, dood en zonder hart, neen, pratend en levend, nog eens doorlevend den tijd van toen ....

— Die kast heeft ie van den Schaatsenrijdersbond. Dat weet u! En hier is de beker van de IJsclub in Amsterdam, die Jaap voor z'n eerste

wereldkampioenschap kreeg, 'n Kanjer! En die is van den koning van Noorwegen. Ook 'n baas! Bekijkt u de medailles maar eens! Haast alles goud! Voor minder deed Jaap 't niet. Hier 't Rademaker-schild! 'n Pracht-ding! Vindt u niet!

Zoo sprak de vader van zijn kind. En hij sprak als een kind, zoo eerlijkbewonderend, zoo zuiver-geestdriftig.

Na even mijmeren zegde hij het dan, aan mijn oor:

— Jaap is 'n beste, brave jongen, maar waarde van geld kent ie niet, heeft ie nooit gekend. Daarom staan ze hier veiliger!

De oude man knipoogde vertrouwelijk. En hij deed met zulk een zorg de deur van de kast weer dicht, dat het wel geleek, of een moeder haar dierbaar kind in het bedje toedekte.

— Ik bewaar ze voor 'm! — verklaarde de vader weer — Als ik d'r eens niet meer ben, dan zijn ze natuurlijk voor hem. Dan kan ik 't niet meer tegenhouden. Dan moet ie zelf maar weten, wat hij er mee doet. Hij is oud en wijs genoeg. . . .

Even peinsde de oude heer Eden. Dan vroeg hij het zich zelf, min of meer pijnlijk glimlachend, af:

— Of. . . . wijs ?

Nog geruimen tijd bleef ik dien morgen met den vader van den wereldkampioen babbelen. Hij vertelde mij zooveel wat anderen niet wisten. Van Jaap, zijn jongen, zijn trots!

Die trots was van adel. De oude oogen van den vader fonkelden. Dreigden zelfs, wanneer hij verhaalde van de roem-periode. Dreigden, alsof ze beducht waren, dat iemand zou knagen aan deze vermaardheid, iemand, die misschien zoo vermetel, zoo onkiesch zou zijn om dit schoone verleden te vergelijken met het meer grauwe heden van het kind.

Ik ging heen, met de overtuiging, dat hier een vader woonde, die, beter dan ieder ander, begreep, wat zijn zoon, zijn jongen voor de sport was geweest.

En ik schreef dit, eenige dagen later: „In Groningen staan de prijzen van Jaap Eden. Ze staan er voor de groote massa. . . . vergeten! Moest Groningen niet een soort van sportieve bedevaartplaats zijn?"

En ik teekende ook nog dit aan: „Daar, in die stille, kille Groninger straat, is de kern aanwezig van wat eenmaal — het zal komen, heel, héél zeker — een Nederlandsch sport-museum zal zijn!"

Hoe het anders, triester, is verloopen, zal men straks hooren....

Interview in 1913. . ..

In 1913 _ het was in de maand van Maart — ben ik, in mijne hoedanigheid van sport-journalist, eens op den motor naar Haarlem gesnord, teneinde 'n babbeltje te maken met den grooten Jaap, die toen al danig in het vergeet-boekje geraakte. En toch waren er telkens menschen op je weg, die 't vroegen: hoe maakt Jaap Eden 't toch tegenwoordig?

Welaan — dan maar eens schrijven!

Ik naar de „Eerste Haarlemsche Automobiel Verhuurinrichting J. E. Meijer & Co", Raamvest 63, waar hij toen in dienst was. Ik diende me aan, vroeg naar den oud-kampioen, er werd om Jaap geschreeuwd, nog eens om Jaap gebulderd, en al ras dook van achter 'n robuusten Spijker de Napoleon van het stalen ros en de gladde vlakte op.

Interviewen? Jaap vond 't best. Hij zei 't niet onomwonden,, maar je kon 't direct snappen, ondanks 'n ietwat jongensachtige schroomvalligheid. Ja, Eden was in die dagen bepaald verlegen. Je kon 't al zoo echt aan hem voelen, dat het leven aan hem had geknaagd. Er zat iets schuw's in den kolos. Hij was niet meer die van vroeger. Maar hij werd nog graag aan dat „vroeger" herinnerd. En zoo vond hij het wel eens aardig — al zei hij 't ook niet — om door 'n pennelikker uit z'n hoekje weer voor het voetlicht te worden gesleept. Menschen als hij, zoo gehuldigd en bewierookt, benauwt de voortdurende stilte, wanneer de dagen van den roem voorbij zijn, en de wereld, de wreede wereld bekommert zich niet meer om hen. Vandaar, dat hij 't wel lollig vond, dit interview. In zijn oogen glunderde de gedachte: laten ze nog maar eens terug-denken aan m'n wereldkampioenschappen, aan m'n gouden periode!

De eerste vraag gold z'n leeftijd:

— Veertig! — antwoordde de stoere kerel. — Veertig ben ik nou. Ja, al heeft Muiier ook eens geschreven, dat J. J. Eden in 1876 geboren werd, 't is nietes, want het was 19 October 1873. In Groningen! Maar lang ben ik daar niet gebleven, zooals u weet. M'n vader was gymnastiekonderwijzer, maar m'n grootvader had 't Hotel Velserend gekocht, waar nou m'n tante woont, en daar heb ik m'n jeugd doorgebracht.

Sluiten