Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2?

SPORT IN BEELD.

Jack Dempsey te boksen, vertelde Bob Edgren, de bekende Amerikaansche schrijver over sport, verschillende interessante dingen over Mac Coy's optreden in Monte-Carlo. Deze laatste was in zijn jeugd van huis weggeloopen, en dook op zekeren dag in het oord op, waar Tommy Ryan, in die dagen een der beste boksers, trainde. Kid Mac Coy wilde met alle geweld met Ryan boksen. Goed! Het kwam zoo ver. Maar Ryan dreef hem als een hert door den ring, en beweerde, dat de andere voor geen sikkepit verstand van boksen had. Mac Coy, wien niets onmogelijk was, wanneer hij iets wilde bereiken, schreef eenige maanden later aan Ryan, dat hij iemand had gevonden, die een boksmatch tusschen hen finantieel wilde steunen. Wanneer Ryan er iets voor voelde, wilde hij tegen hem uitkomen. Letterlijk schreef Kid Mac Coy: ik verkeer in een nood-toestand en voel me ziek, maar ik heb absoluut geld noodig, en daarom zou ik het zeer op prijs stellen, wanneer je dengeen, die wordt overwonnen, 40% in plaats van 25% toestond, want het kan jou toch immers niets schelen, indien ik iets meer verdien! Ryan had geen zin om hier den philantroop uit te hangen, maar hij wilde wel met den andere boksen. Maar daar hij eigenlijk in Mac Coy geen serieusen tegenstander zag, oordeelde hij het niet noodig om ernstig en gedegen te oefenen. Toen zij elkaar in den ring ontmoetten, bleek al direct, dat Kid Mac Coy in een zeer goede lichamelijke conditie verkeerde. Hij speelde dan

ook met Ryan. Hij behandelde hem zooals een Chineesche beul zijn

slachtoffer behandelt, en in de laatste ronde sloeg hij hem knock-out. Men is dan ook algemeen van inzicht geweest, dat, ware Mac Coy soliede geweest, en had hij niet van den nacht een dag gemaakt, absoluut wereldkampioen zou zijn geworden. Men geeft toe, dat hij de slimste pugilist van zijn tijd was, een man, die het vak in de perfectie kende. Hij moet dan ook zeer veel geld hebben verdiend. Maar het geld wilde niet bij hem blijven. Toen ik van zijn gevangenschap, daarna van zijn treurig einde hoorde, was ik zeer bedroefd. Ik herinnerde mij de roemvolle periode in Monte-Carlo, waar Mac Coy zonder zorgen, als een vorst leefde, het hart van schier elke vrouw brak, waar hij absoluut een mode-man was. Altijd hing er een geheimzinnige sfeer om hem. Wanneer eenmaal een roman over dezen vreemden, eigenaardigen bokser zou worden geschreven, een historisch-juiste roman, men zou versteld en verstomd staan van dit bestaan...."

De match van zijn leven!

Natuurlijk zijn er meer van dusdanige evenementen in zijn mensenbestaan geweest. Maar er was een periode, dat Carpentier het treffen met Willie Lewis de match van zijn leven noemde. Deze vond 22 Mei 1912 te Parijs plaats, en de jonge Georges had er zeer serieus voor getraind.

Hoe ? Carpentier zélf heeft het eens in een boekje „Comment je suis devenu champion de boxe", dat in 1913 bij Pierre Lafitte & Cie. te Parijs verscheen, verhaald. Hij schreef als volgt. „Ik sta eiken dag om 8 uur op. Dan ga ik een uur wandelen. Om half tien ontbijt! Om twaalf uur déjeuner, gevolgd door een korte wandeling van een half uur. Om 3 uur culture physique, Zweedsche gymnastiek om de spieren soepel te houden. Daarna touwtje springen en punching-ball. De oefening duurt een half uur, hetgeen dus wil zeggen tien minuten voor de verschillende onderdeden. Daarna drie ronden boksen, ieder van drie minuten. Douche en massage vervolgens! Om 7 uur diner, daarna wederom een wandeling, wat verpoozing, en om half elf naar bed."

Dit alles betrof dan het geregelde leven van den kampioen. Maar was er een gevecht op til, dan werd natuurlijk de arbeid aanzienlijk verzwaard, verzwaard vooral wat betreft het werken met de sparringpartners in den ring. En wat het eten aangaat, voedde Carpentier zich vooral met vleesch, bloedig vleesch zooals biefstuk, waarvan hij een groot liefhebber was. Hierbij dronk hij dan veel licht bier. Hij teekent bij dit laatste aan: „Ik heb vaak hooren beweren, dat bier degenen,

(Vervolg)

Een entr'-acte!

Ik noemde in het vorig hoofdstukje den naam van Kid Mac Coy. Aan dezen bokser heeft Carpentier zeer typische herinneringen, en hij heeft ze jaren later eens geboekstaafd. Natuurlijk komen zij in dit romannetje over Georges voor. Men krijgt dan tevens een kijkje op Carpentier, den verteller, den schrijver. Luister maar!

„Ik leerde Kid Mac Coy in 1912 te Monte-Carlo kennen. Het was tijdens mijn match met Sullivan. Juist wilde ik in den ring stijgen teneinde mijn gevecht met dezen Engelschman aan te vangen, toen een vreemde man eveneens over de touwen sprong. De speaker gilde het: hier is Kid Mac Coy, en hij is gekomen om den overwinnaar uit te dagen! Nooit van tevoren had ik zulk een vreemden bokser gezien. Hij zag er modieus, onberispelijk gekleed uit. Ik was nog jong, en mijn jeugdoogen schenen in dezen vreemde den bekendan Don Juan ontdekt te hebben. Met zijn fijn besneden gelaat, dat door de heerüjke zon van Zuid-Frankrijk was gebruind, leek hij in 't geheel niet op het doorsnee type van den beroepsbokser. Hij maakte een reusachtigen indruk op mij. Ik had inmiddels Jim Sullivan geslagen, en ik wachtte er op, of het Kid met z'n uitdaging ernst was geweest. Intusschen kwam deze aan slag tegen den neger Gunther, en ik woonde dit treffen bij. Het was een openbaring. Kid, die toen al tegen de vijftig liep, toonde een pugilistische macht, waarvan ik mij het bestaan nooit had gedroomd. Hij was bewonderenswaardig. Ik leerde in die oogenblikken de meest ongelooflijke „tricks" van hem. Hij bokste niet alleen stoer, hij bokste bovenal technisch-af en wetenschappelijk. En ik wil het met genoegen bekennen, dat ik mijn lateren roem voor een groot gedeelte heb te danken aan hetgeen Kid Mac Coy mij tijdens deze demonstratie te zien gaf. Tot een gevecht tusschen ons kwam het niet, omdat Kid kort daarop ziek werd. Desondanks kon ik den bijzonderen sportsman niet vergeten. Integendeel! Ik zocht zooveel mogelijk van hem te weten te komen. Zijn eigenlijke naam was Norman Selby. Hij was in een periode, waarin men tal van uitnemende boksers telde, niet alleen een der beroemdste onder hen, maar hij was ook onder deze pugilisten een waarachtige Don Juan. Men vertelde zelfs, dat hij zevenmaal getrouwd was geweest, en men zal zich ook gewis herinneren, dat hij door een vrouw op een vreeselijke wijze aan zijn einde kwam. In die dagen was hij gewend om ieder jaar aan de Rivièra te verschijnen. Toen ik mijn match met Sullivan vocht, woonde Kid Mac Coy in een villa te Cannes, en hij leefde op schitterende wijze. Toen ik naderhand naar Amerika vertrok om met

IN MEI EN JUNI NAAR ZEE!

1828 HOTEL „GROOT-BADHUIS" - ZANDVOORT 1928

KAMERS MET VOLLEDIG PENSION VANAF f 8.50

Sluiten