Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13

SPORT IN BEELD.

De grootsche Finale van het Olympisch Hockey-Tournooi.

Het was Zaterdag een goede dag voor onze amateur-sport. Een dag om dankbaar voor te zijn! Wij, journalisten, die zooveel critiseeren, critiseeren „moeten" om de corruptie in onze beweging zooveel mogelijk tegen te gaan, wij „moeten" nu ook de eersten zijn om te erkennen, dat er ook nog eerlijke en edele sport bestaat, en dat de Olympische Spelen ons die kunnen schenken. Er is werkelijk een frissche wind door Nederland gegaan. En dat danken wij mede aan dit voorname feest.

Het selectie-systeem heeft althans op de Hockey-sport een uiterst gunstigen invloed gehad. Pschychisch, doch waarschijnlijk phy-sisch ook! Den goeden niet te na gesproken, zoo is toch de lichaamsvorm, de lichaamshouding bij tal van voetballers een hoon voor de... . lichamelijke opvoeding. Diep dit beweren analyseeren, kracht door woorden bijzetten, zullen wij thans niet doen. Maar wèl stellen wij tegenover deze te betreuren omstandigheid de verschijning van ons Nederlandsch Hockey-elftal binnen de muren van het Stadion. Het was niet alleen een genoegen om de sportieve verrichtingen van deze ploeg gade te slaan, ook de lichaamsbouw van deze jonge mannen was van een voortreflijkheid, welke het oog en den geest streelde. Hier waren tenminste athleten in actie!

Maar ook de mentaliteit van deze menschen leek ons frisscher dan die van de voetballers in doorsneê. Het uitbrengen van „cheers" is meer dan louter een formaliteit. De baltrappers van het heden beseffen dat niet meer, maar vroegere generaties brachten door deze daad niet alleen eer aan de tegenstanders, doch weefden tevens een sfeer van genoeglijkheid en gemoedelijkheid op het voetbalveld. Beide, èn de genoeglijkheid èn de gemoedelijkheid, zij behooren — exceptis excipiendis — tot het rijk der fabelen. Bij de Hockey-spelers is deze goede gewoonte blijven bestaan. De jonge mannen van ons oranje elftal traden zelfs vóór de finale op de Britsch-Indiérs toe, en de spelers reikten elkander de hand. Wanneer men zóó gaat spelen, dan is het te verwachten en te verklaren, dat men ook fair speelt. En dan verwondert het geenszins, dat na afloop de overwonnen ploeg de triumfeerende huldigt, en deze laatste ook eer bewijst aan degenen, die de nederlaag leden. Was het geen aardig moment, toen de Indische sportsmen onzen captain De Waal rond droegen ?

De drie zegevierende ploegen in het Olympisch Hockey-tournooi, v.l.n.r. Nederland (II), BritschIndië (I) en Duitschland (III) aanschouwen het hijschen van de vlaggen hunner landen, terwijl de muziek de volksliederen speelt.

Wij zijn er zeker van, dat van de tienduizenden kijkers, die Zaterdag ons Stadion bezochten, toeschouwers, die meestentijds bij voetbal-wedstrijden aanwezig zijn, het meerendeel zich de oogen heeft uitgekeken bij deze vriendschap van de spelers onderling. Wanneer voetballers de arena betreden, dan krijgt men veelal den indruk: ha, daar komen de gladiatoren binnen! Hoe geheel anders was het hier!

En zoo is het dan ook geschied, dat deze Hockey-spelers stormenderhand de sympathie van de menigte hebben veroverd, en zoo kon het ook niet anders zijn, of de protocolaire vermelding der uitslagen werd een moment van wijding. Het deed goed, dat ons publiek even hartelijk de Indiërs en de Duitschers als ons elftal toejuichte. Het deed goed, dat, toen ons oranje-blanje-bleu omhoog ging, en de muziek het Wilhelmus inzette, het geheele Stadion als één man mee-zong. Dat was iets anders als het geforceerd gemeenschappelijk galmen vóór internationale voetbalwedstrijden.

Er is nog veel in de Olympische Spelen, hetgeen, als uit den tijd zijnde, moet veroordeeld worden. Maar zij brengen ook het frissche, het eerlijke, de sport in den besten zin des woords.

Nederland was daar Zaterdag jl. getuige van!

Daar was om te beginnen het uitverkochte Stadion, een feit, dat een week geleden als mededeeling eenvoudig niet zou zijn geloofd. Bij Hockey een toeschouwerstal van 35.000! Het klinkt niet aannemelijk voor dengene, die in Amsterdam niet getuige is geweest van de enorme drukte bij het Stadion, den aanrit van honderde en honderde auto's, en vooral van lange slietten ei-volle trams.

Toen om twee uur Duitschland en België

Doorzitten

bij Wielrijden en een door de Zon verbrande Huid, Schrijnen en Smetten, verzacht en geneest men met

Doos 30, 60, Tube 80 ct. PUROL

den strijd aanbonden, waren er reeds 25.000 man, en geleidelijk tot kwart voor vier, toen de eindstrijd begon, vulden zich alle hoekjes en gaatjes. Op de Zuidelijke zit-tribune moest een groot aantal houders van staan-kaarten worden toegelaten. Andermaal dus een lek in de organisatie! Duitschland won natuurlijk tegen de Belgen, en wel met 3—0, ondanks goed verdedigen. De Duitsche middenlinie was met spelers als Haag en Zander de Belgische „weit überlegen", zoodat de Duitschers telkens en telkens konden aanvallen. Toch duurde het heel lang, voordat Duitschland door Haag de leiding nam. In de tweede helft wisten de Duitschers weer door Haag twee keer te scoren en, ten stelligste verdiend, den derden prijs te winnen.

Een moment van nerveuse stilte, van gespannen aandacht! Daar komen de Indiërs in hun licht-blauwe keurige hemden en donkere broeken het veld in, daverend toegejuicht. En de Hollanders volgen spoedig. Nu dondert het van het applaus. Het lijkt goed, terwille van het historisch moment, het Hollandsche elftal ook hier nog te vermelden: Katte, doel; de Waal en Tresling, achter; Ankerman, Duson en Brand, midden; Kop, Jannink, v. d. Rovaert, v. d. Veen, Visser 't Hooft, voor.

Dit elftal heeft ons, en een ieder, een verrassing bezorgt. Zeker was, dat zij verdedigend goed, hartstochtelijk spel te zien zouden geven. Dit werd verwacht. Maar dat zij er in zouden slagen, gedurende de eerste speel-helft meer aan te vallen dan de Indiërs deden, dat was een feit, dat hoogst opmerkelijk is, dat aanduidde, dat hier de physieke eigenschappen voldoende groot waren om het psychisch willen aan te vullen. Dat psychisch willen was om de huid zoo duur mogelijk te verkoopen. En zoo ontbrandde er een Hockey-kamp van grootsche allure, een sportief festijn van de eerste orde, waarbij de Hollanders werden aangemoedigd op een enorme wijze. Wie het ook was, ieder op zijn beurt kreeg open doekjes. De Waal en Tresling stonden als rotsen, Ankerman en Duson brachten herhaaldelijk prachtig op, en in de voorhoede werd snel, te snel soms, gespeeld. En hier strandden geestdrift en wil en technisch presteeren der Hollanders op de onverbeterlijke verdediging van de Britsch-Indiërs, op Hammond, den reus en Rocque, den duivel. De Indische voorhoede was niet zoo vele keeren in den aanval, maar

Sluiten