Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

344

an ihn, aber wer auch nicht, wenn von Wunderlichkeit, kranker Excentriciteit, ja von Hass und Wildheit!"

De karaktertrekken van Florestan en Eusebius komen ook uit kleine trekjes duidelijk aan het licht. Toen Chopin voor het eerst naar Leipzig kwam (1835), vloog Florestan hem dadelijk te gemoet. Eusebius zag ze „Arm in Arm mehr schweben als gehen." Hij zelf sprak niet met hem, „fuhr ordentlich zusammen bei dem Gedanken." Toen Florestan eens, ondeugend genoeg, vroeg op welk stuk van Shakespeare wel de meeste ouvertures waren gecomponeerd, antwoordde Eusebius goedmoedig: „Op Romeo en Julia." Florestan meende echter op: „Veel leven om niets."

Schumann karakteriseert echter zelf zijn beide personen reeds in zijn eerste opstel (over Chopin's variatiën): „Florestan ist einer von jenen seltenen Musikmenschen, die alles Zukünftige, Neue, Ausserordentliche schon wie lange vorher geahnt haben; das Seltsame ist ihnen in andern Augenblicke nicht seltsam mehr; das Ungewöhnliche wird im Moment ihr Eigentum. Eusebius hingegen, so schwarmerisch als gelassen, zieht Blüte nach Blüte aus; er fasst schwerer, aber sicherer an, geniesst seltener, aber langsamer und langer; dann ist auch sein Studium strenger und sein Vortrag im Klavierspiel besonnener, aber auch zarter und mechanisch vollendeter als der Florestans." (Deze zin is in de „Gesammelte Schriften" geschrapt). Florestan zegt zelf over zijn klavierspel toen hij uit de provincie vertrok en bij meester Raro in de leer was gekomen: „Meine fatalste Krisis war dieser Mittelzustand zwischen Kunst und Natur; feurig, wie ich stets auffasste, musst' ich jetzt alles langsam und deutlich nehmen, da mir's überal an Technik gebrach; nun entstand ein Stocken, eine Steifheit, dass ich irre an meinem Talent wurde; glücklicher Weise dauerte die Krisis nicht lange."

Vermakelijk wordt het wanneer beide geesten: Florestan en Eusebius elkaar in het haar vliegen. Wanneer Eusebius in eene compositie „manches gefunden hat was nicht darin steht" en in zijn zachtaardigheid reeds met den goeden wil van den componist tevreden is, in zooverre als alleen de geheele richting een streven naar hooger openbaart; kan Florestan het niet laten in een tweede recensie die van Eusebius te bespotten. Waar Eusebius streelt valt Florestan er met ruwheid tusschen en meester Raro, de vertegenwoordiger van kalmte en bezonnen ernst, moet dan vrede stichten.

Raro is de type van de rust en waardigheid van den rijpen man. Wel sympathiseert hij met de richting der jongeren en zou hij Schumann's bekentenis: dat hij „was Hohes in ihr liegt mit Leib und Seele verteidigt" bepaald tot de zijne maken — maar de strijd laat hij aan de jongelingen over. Hen geldt zijn woord: „Jünglinge, Ihr habt einen laügen, schweren Gang vor Euch. Es schwebt eine seltsame Röte am Himmel, ob Abend- oder Morgenröte weiss ich nicht; schafft für's Licht!"

Sluiten