Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

355

j. Pothier, dat bijgevolg Dom T. A. Burge, die deze overeenkomst ontkende *), van geen van beide iets begrepen heeft.

Een korte uiteenzetting van den stand der kwestie zal den lezers mogelijk welkom zijn.

Het eeuwenoude, eenstemmige, z.g. gregoriaansche kerkgezang is opgeteekend in gezangboeken, met de hand geschreven, waarvan nog een groot aantal in verschillende bibliotheken aanwezig is. De oudste dezer gezangboeken zijn niet ouder dan ongeveer duizend jaren. Zij zijn genoteerd in het z.g. neumen-schrift, doch in de handschriften van jonger datum zijn de gezangen opgeteekend met noten op lijnen: vierkante en ruitvormige noten op notenbalken van (grootendeels) vier lijnen. Nu is het een wetenschappelijk uitgemaakt en algemeen erkend feit, dat de verschillende vorm der noten (vierkante, ruitvormige enz.) op het wezen der melodieën van geen invloed is. Men mag die verschillende notenvormen als een schoonschrift-liefhehberij van de afschrijvers beschouwen. Nemen wij nu een willekeurig fragment uit zulk eene melodie en stellen wij dit voor met onze gebruikelijke toonteekens:

... hi' ma ----- men tum ■ —

Wie ook slechts een flauw begrip heeft van de eerste beginselen der toonkunst ziet aanstonds, dat aan deze notenreeks een hoofdbestanddeel van alle muziek ontbreekt. Niets is hier bestemd; hier geen onderscheid van kwarten, achtsten, zestienden enz.; de gegeven noteering laat ons volstrekt in het onzekere omtrent den muzikalen vorm, zij geeft ons weliswaar de geluidsmaterie van deze zangwijze, maar verzwijgt ons het voornaamste: de ordening der beweging in den tijd, het leven, de ziel, den rythmus. Vandaar dat beoefenaars van de oude geschiedenis der toonkunst zich afvragen, welke de muzikale gedachte moge geweest zijn van de componisten dezer melodiek. Ziedaar het probleem van den gregoriaanschen rythmus.

Let wel: wij bevinden ons hier niet voor de vraag, hoe de melodieën der officiëele koorboeken van de Roomsch-Katholieke Kerk op de meest bevredigende wijze kunnen worden voorgedragen; er wordt niet gevraagd wat onze hedendaagsche kerkzangers kunnen maken van het z.g. Gregoriaansch, zooals zij dat in hunne gezangboeken vinden opgeteekend — maar wij staan hier voor een

*) Deze Engelsche benedictijn schreef een brochure, getiteld : An examination of the rhythmic theories of Dom Mocquerean, London, Washbourne. Vgl. S. Gregorius-Blad, 1906, blz. 17.

Tegen deze brochure is het werkje van Bas gericht.

Sluiten