Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

360

brief schreef, was daar zelfs onder de vakmannen maar weinig van zulk een waardeering te bespeuren. Het kon toen nog voorkomen, dat de directeur van een conservatorium aan zijne leerlingen de studie van Becthoven's syinpkonieën verbood, en dat wanneer hij er eens toe overging, een enkele daarvan te doen uitvoeren, hij er geen gewetenszaak van maakte, de instrumentatie te veranderen of aan te vullen. In het algemeen werd Beethoven in Italië den jongeren toen nog als schrikbeeld voorgehouden.

Wij kunnen dus veilig aannemen, dat in 1817 de kennis van Beethoven's orkestwerken bij den jeugdigen Rossini zeer gering moet geweest zijn. Geen orkest in Italië had toen nog ooit muziek van den Duitschen meester gespeeld, en Rossini was nog nimmer buiten zijn vaderland geweest. Wat hij van de bedoelde orkestwerken kende, kon alleen tot hem gekomen zijn door de een of andere gebrekkige klavierbewerking, die hij, zoo goed en zoo kwaad als het ging, trachtte te spelen.

Rossini begon de muziek van Beethoven eerst werkelijk te leeren kennen, toen hij in 1828 en 1829 te Parijs eenige van diens symphonieën in de concerten van het Conservatoire hoorde uitvoercD. Hoe hij er toen en later over dacht, komen wij echter uit de brieven niet te weten. De naam Beethoven wordt er zelfs niet meer in genoemd.

De dikwerf vernomen bewering, dat Rossini een gloeiend vereerder van Beethoven's muziek is geweest, zal wel niets meer zijn dan een praatje. Uit zijne brieven althans blijkt er niets van, en met het oog op het groote verschil van het wezen der beide toonkunstenaars en van hunne muziek is het ook niet aan te nemen. Eerbied zal Rossini voor Beethoven wel gehad hebben; dien had hij — zooals hij eens aan Wagner heeft gezegd — voor iederen kunstenaar, die de grenzen zijner kunst zocht uit te breiden. Maar om een gloeiend vereerder van iemands kunst te zijn, moet men daarvoor in de eerste plaats sympathie hebben, en die kan men bij Rossini ten opzichte van Beethoven moeilijk veronderstellen, daar hunne kunstopvattingen te veel uiteenliepen.

De eenige Duitsche componist, voor wien Rossini een groote vereering niet slechts gekoesterd maar ook geopenbaard heeft, was Mozart. Uit zijne brieven blijkt dit, maar wij weten het ook door meer dan één geloofwaardige mededeeling o. a. door die van den componist Emil Naumann. Toen deze den grijzen meester anderhalf jaar vóór diens dood te Parijs een bezoek bracht, zeide Rossini tot hem: „De Duitschers zijn van oudsher de groote harmonisten, wij Italianen de melodisten in de toonkunst geweest. Sedert zij echter in het noorden Mozart hebben voortgebracht, zijn wij zuidlanders op ons eigen terrein geslagen; want deze man verheft zich boven de beide natiën, hij vereenigt met de betoovering der Italiaansche cantilene de diepte van gemoed der Duitschers, zooals deze in zijne geniale en rijke harmonieën zoo schoon te voorschijn treedt."

Sluiten