Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

362

Rossini meent dan ook, dat het de plicht der Conservatoria is, tegen het indringen van nieuwigheden in de Italiaansche muziek te waken. Vier maanden vóór zijn dood schrijft hij aan Lauro Rossi, directeur van het conservatorium te Milaan: „Ik verwacht van instellingen als de.uwe, dat daar niet wortel zullen schieten de nieuwe philosophische beginselen, die van de toonkunst zouden willen maken een litteraire kunst, een nabootsende kunst, een philosophische methode van melodie-voortbrenging gelijkstaande met het vrije of het gerhythmeerde recitatief met begeleiding van tremolo's, en dergelijke (Rossini bedoelt hier het recitativo secco of siromentato). Laten wij Italianen niet vergeten, dat de Muziek een kunst van het ideale, een kunst van uitdrukking is en dat het diletto haar grondslag en doel moet zijn. Eenvoudige melodie — duidelijke rhythmus, ziedaar de vereischten voor goede muziek. Waar die niet worden aangetroffen, hebben wij te doen met povere componisten, wien het geheel en al aan phantasie ontbreekt".

In een nog lateren brief (Augustus 1868), uit Passy geschreven aan Dr. Filippi (voornaam criticus en oprichter van het tijdschrift II mondo artisüco) gaat Rossini nog dieper op de zaak in. Hij begint met te zeggen, dat hij met blijdschap gehoord heeft van het succes, dat eenige composities van Filippi op concerten te Milaan gehad hebben, en vervolgt dan: „Uw arioso in Venetiaansch dialect, dat gij mij eens in mijn woning te Parijs hebt voorgezongen, heb ik nog altijd in het hoofd. Het is een waar juweeltje; men zal er, per Bacco, niet van zeggen, dat het zoogenaamde toekomstmuziek is!! A propos van dit thema, dat thans zoo zonder eenigen grond de gemoederen in beweging brengt, voel ik mij gedrongen U te zeggen, dat wanneer ik van die afschuwelijke woorden lees zooals vooruitgang, verval, toekomst, heden, conventie enz., ik in de maag een zekere verkeerde beweging gevoel, die ik met veel moeite tracht te onderdrukken. Kon ik mij van uw geleerde pen bedienen, hoevele en welke lessen zou ik dan niet willen geven aan deze uitkramers („uitspuwers" staat er letterlijk) van leerstellingen, die over alles spreken en niets weten te verklaren! Waarlijk, deze lieden zouden ons voor nieuw en voortreffelijk willen opdringen, wat om zoo te zeggen antediluviaansch is. Deze geleerden spreken van gedeclameerde muziek, van dramatische muziek. Men moet veronderstellen, dat de heeren niet weten, dat de beroemde Dufay en Goudimel (bedoeld worden de contrapuntisten van dien naam uit de 15de en de 16de eeuw) ongeveer een halve eeuw lang uitsluitend gedeclameerde muziek componeerden, d. w. z. muziek zonder rhythmus, of dramatische muziek (?). Daarna kwamen de beroemde Caccini en Peri, die op dienzelfden weg voortschreden en hunne composities noemden Opere in istile recitativo, en op hen volgden later de reus Gluck en diens aanhangers, die, naar het mij voorkomt, voldoende ingewijd waren in het genre van de declamatie en van het dramatische.

Geloof niet, waarde doctor, dat ik uit beginsel antidramaticus ben; neen waarlijk niet. En ofschoon ik virtuoos in het Italiaansche bel canto ben geweest,

Sluiten