Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

378

Strams' „Salome" is nu in het repertoire van het stedelijk theater te Keulen opgenomen. De beide opvoeringen aldaar, de eerste onder leiding van den componist, de andere onder leiding van Lohse, hebben de grootste belangstelling getrokken. Volgens de referent der Kölnische Ztg., kreeg men den sterken indruk dat „Salomo" geheel eigen en nieuwe wegen gaat en bewondering wekt ook bij den hoorder, die de muziek nu en dan al te scherp en te dissonant vindt en de handeling soms stuitend. Feinhal* vooral, de baryton uit München, wordt geroemd als Jochanaon, prachtig als zanger en tooneelspeler, een hooge en edele verschijning.

De Bach-beweging in Duitschland streeft o.a. naar het weder opnemen van Bach's cantaten in de godsdienstoefeningen. Zij die het laatste congres van de nieuwe Bach-vereeniging te Leipzig bijwoonden, zullen zich den diepen indruk van zulk een godsdienstige samenkomst in de Thomaskerk daar levendig herinneren. In verband met dit streven is het niet zonder belang dat onlangs te Darmstadt in de godsdienstoefening in de Stadtkirche werd gevoegd de uitvoering van Bach's cantate „Bleib bei uns denn es will abend werden" door de voor deze gelegenheid versterkte Evangelische Kerk-zang-vereeniging. De stedelijke raad van Leipzig schonk aan de genoemde Neue Bachgeselischaft 1000 M. voor het BachHaus te Eisenach. En 15,000 M. voor het Bach-gedenkteeken dat, naar men weet, voor de Thomaskerk wordt opgericht, op de plaats waar nu Leibnitz staat. Zoo krijgt Leipzig eindelijk een gedenkteeken ter eere van den Cantor, eenige jaren nadat de meest sprekende herinnering aan Bach, de oude Thomas-school, afgebroken werd.

In de Serie „Mannen en Vrouwen van beteekenis" is een levensschets van Felix Weingarlner verschenen, door Wouter Hutschenruyter. Hoewel er in den laatsten tijd heel veel over Weingartner geschreven is, in verband ook met zijn rustelooze werkzaamheid en zijn optreden nu hier, dan daar, in Europa en Amerika, zal deze schets toch wel met belangstelling ter hand worden genomen. De eigenlijke biographie beslaat slechts vijf bladzijden. Vervolgens wordt Weingartner behandeld als componist, als schrijver en als dirigent. De heer Hutschenruijter heeft vooral van de beschrijving der composities veel werk gemaakt, al te veel in verhouding tot de beide andere hoedanigheden van onzen zeer begaafden en breed ontwikkelden tijdgenoot. Aan de composities — de inhoud der opera's o.a. wordt uitvoerig verteld — zijn niet minder dan 35 bladzijden gewijd. De schrijver Weingartner, stellig niet minder interessant dan de componist, moest met 6 pagina's, en de dirigent — Weingartner in zijn grootste hoedanigheid, zegt H. zelf — met twee bladzijden genoegen nemen. Deze verhouding schijnt niet erg gelukkig. Het zou merkwaardig geweest zijn den dirigent H. eens uitvoerig te hooren over den orkestleider W. Bij Berlioz' naam op de laatste pagina had de Berlioz-uitgaaf, door Weingartner met den Parijschen bibliothecaris Malherbe bezorgd, kunnen vermeld worden.

Een der verrassendste ontdekkingen van Duitsche muziekgeleerden is de hooge beteekenis, die aan het kunst-lied der veertiende en vijftiende eeuwen, in Midden- en NoordItalie, moet worden toegekend. Het is gebleken niet alleen, dat er madrigalen waren reeds 'n paar eeuwen vóór Arcadelt, maar ook dat die liederen van tijdgenooten van Petrarco en Bocaccio zeer bijzondere proeven van kunst zijn, tot nu gansch veronachtzaamd. Ze behooren niet tot den a-cappella-stijl, maar tot een voor dien tijd verbazend ontwikkelde kunst van verbinding van zang met instrumentale muziek. Aan deze bloeiperiode van het Italiaansche lied sluit die van Frankrijk, Spanje, Engeland zich aan (madrigaal, caccia, ballade, rondeau). Hugo Biemann verklaart: „Diese Literatur von vielen hunderten kunstreich gestalteten Lieder steht auf einer Höhe gelauterten kunstgeschmacks welche das spatere Lied erst seit Schubert wieder erreicht hat; die Oden des

Sluiten