Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

390

1. Als Hucbald van St. Amand (840—930) in zijne Musica Enchiriadis heeft uiteengezet wat hij verstaat onder rythmisch zingen, dan geeft hij eene zangoefening in gelijkwaardige noten. *)

„Volkomen waar," antwoorden de tegenstanders, „doch hieruit volgt geenszins, dat Hucbald de gelijkwaardigheids-theorie voor alle gregoriaansche gezangen zou verkondigen. Immers:

a. Het tekstverband waarin die oefening voorkomt is met genoemde theorie in strijd. Hucbald zegt: „Rythmisch zingen bestaat daarin, dat men de langere en kortere tijdswaarden in acht neemt.... Lange en korte tijdswaarden moeten regelmatig worden verbonden en het gezang moet als in metrische voeten worden geslagen. Welaan, laat ons ter oefening eens zingen; ik zal onder het voorzingen de maat slaan, en gij zult het mij dan nadoen."

Nu volgt de bedoelde zangoefening, waarbij Hucbald de bemerking maakt: „alleen de laatste in de drie leden zijn lang, de overige zijn kort." Hij laat de oefening driemaal uitvoeren: de eerste keer in middelmatig tempo, vervolgens in dubbel versneld en eindelijk in dubbel langzaam tempo, zoodat de vier verschillende tijdswaarden, die in de geheele zangles van Hucbald ter sprake komen, zich tot elkander verhouden als 1:2, evenals onze achtsten, kwarten, halve en heele noten.

b. Zelfs het getuigenis van Hucbald moet voor den herbouw der gregoriaansche kunst onder het noodige voorbehoud worden aanvaard: de aan hem toegeschreven Musica Enchiriadis is van de Xde eeuw. Het is daarbij zeer waarschijnlijk dat deze verhandeling niet de gregoriaansche muziek tot onderwerp heeft, doch de frankische bastaard-muziek van dien tijd, waartoe ook de sequenzen behooren.

c. Niemand zal op de gedachte komen, uit de vingeroefeningen van klavierpedagogen als Czerny en Schmitt de gevolgtrekking te maken, dat onze moderne pianomuziek geen andere tijdswaarden kent dan zestienden. Evenmin mag men uit eene Xds-eeuwsche zangoefening voor eerstbeginnenden eene gevolgtrekking maken tot alle gregoriaansche melodieën.

2. In de handschriften treft men herhaaldelijk noten aan^ die onmiddellijk en op dezelfde toonshoogte naast elkander zijn geplaatst, f) Als dus de oude copiïsten om langere tonen aan te duiden eenzelfde noot herhaalden, dan volgt daaruit, dat zij alle noten als van gelijke tijdswaarde opvatten. §)

Hierop wordt door de tegenstanders geantwoord: „Als de oude copiïsten

*) Gerbert, Scriptores, I, p. 182.

t) Vgl. nogmaals het gegeven noten-voorbeeld (Aug. nummer).

§) Zóó b.v. redeneert de benedictijn C. Vivell, Der Gregorianische Gesang, „Styria", Graz, 1904, p. 91—92.

Sluiten