Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

391

enz... . dan zou men misschien de gevolgtrekking kunnen toegeven. *) Doch de veronderstelling, waarvan het bewijs uitgaat, is eene onbewezen veronderstelling. Er zijn andere even waarschijnlijke, zoo niet waarschijnlijker verklaringen van hetzelfde feit." Zie b. v. Dechevrens, Etudes, III, p. 350, 356 v.v.; Houdard, Bythme d. Ch. gr. p. 20—23.)

Als een overgangsvorm van de eerste tot de tweede categorie, waarin hier de verschillende meeningen betreffende het rythmus-vraagstuk worden gerangschikt, wensch ik aan de lezers voor te stellen:

III. Het stelsel van Dr. Hugo Riemann.

Deze professor aan de hoogeschool te Leipzig, die geen onderdeel der veelvertakte muziekwetenschap ondoorzocht liet, heeft in een zijner jongste werken, nl. zijn Handbuch der Musikgeschichte (Bd. I, Dl. 2), het rythmus-probleem bestudeerd en er eene oplossing van gegeven die onder muzikaal gezicht meer bevredigend is dan het reeds behandelde monochronisme en oratorisme. Wel erkent hij de rythmuslooze noteering der lijnen-handschriften als met de oorspronkelijke noteering overeenstemmend, doch hij is overtuigd dat de melodieën in den geest der componisten een nauwkeurig omschreven muzikalen vorm hebben gehad, die weliswaar in de noteering niet werd voorgesteld, maar door mondeling onderricht en overlevering werd bewaard. De klemtonen (accenten) van den latijnschen tekst zijn voor Riemann de lichtpunten ter opsporing van den verborgen rythmus. Hij plaatst de voornaamste betoonde lettergrepen op gelijke tijdsafstanden van elkaar, verdeelt iedere tijdsafstand in vier kwarten en noteert alzoo de gregoriaansche melodieën zonder uitzondering in vierkwartsmaat. Het spreekt van zelf, dat de hoofd-klemtonen samenvallen met den zwaren teltijd van iedere maat (de thesis, het eerste moment na de maatstreep). Een voorbeeld f) zal meer zeggen dan vele woorden:

Riemann, Handb. d. Musikgesch. I. 2. p. 109. (Dom. III p. Epiph. Grad.)

£«---- urn dó - mi ------- ne enz.

*) Dr. H. Kiemann neemt de veronderstelling aan, doch verwerpt de gevolgtrekking.

f) Tegelijk zal het staaltje sprekend genoeg aantoonen, wat al afwijkende melodieën uit de afwijkende theorieën onstaan. Men denke zich dit gezang-fragment in louter gelijkwaardige achtsten I

Sluiten