Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

409

(1861) is de oorspronkelijke lezing, . met bijvoeging der varianten, weer hersteld.

Men heeft vaak eene verklaring gezocht van de grondgedachte dezer stukken en vooral wilde men ontdekken waarom ze dansen zijn genoemd. Men was het vrijwel eens, dat ook hier de strijdlustige club (zooals in den „DavidsbündlerMarsch" en het „Carnaval") met vliegende vendels en muziek te velde trok, — dat die stukken dus als het ware een afspiegeling waren van de dansen die de „Davidsbündler" met de „Philister" hielden. Hieromtrent geeft Schumann in zijn brieven uit Weenen aan Clara zelf eene oplossing. De eerste brief (1837) luidt: „Die Davidsbündlertanze und Pantasiestücke werden in 8 Tagen fertig — ich schicke sie Dir, wenn du willst. In den Tanzen sind viele Hochzeitsgedanken — sie sind in der schönsten Erregung entstanden, wie ich mich nur je besinnen kann. Ich werde sie Dir einmal erklaren," en in den tweeden brief (1838) schrijft hij: „Hast du die Davidstanze (ein silberner Druck ist dabei) nicht erhalten ? Ich habe sie Sonnabend vor 8 Tagen an Dich geschickt. Nimm Dich ihrer etwas an! Hörst Du. Sie sind mein Eigentum. Die paar Groschen die die Verleger zahlen, sind nicht der Rede wert — da gab ich sie Priesen, der ein rechtlicher Mann — ich schatne mich nicht Dir das zu gestehen — ja ich weiss Du drückst mir die Hand dafür. — Was aber in den Tauzen steht, das wird mir meine Clara herausfinden, der sie mehr wie irgend etwas von mir gewidmet sind. Ein ganzer Polterabend namlich ist die Geschichte, und Du kannst Dir nun Anfang und Schluss ausmalen. War ich je glücklich am Clavier, so war es als ich sie componirte."

Het oorspronkelijk manuscript schonk Schumann later aan Th. Kirchner, die daarna nog: „ Neue Davidsbündlertanze für Clavier (opus 17) en een bundel klavierstukken „Florestan nnd Eusebius", in navolging van zijn vriend, uitgaf.

Deze werken en de sonate dragen alleen den naam der „Davidsbündler", doch Schumann wilde dien naam nog aan andere stukken geven. Het in 1837 uitgegeven Carnaval zou oorspronkelijk onder den titel TFasching, Schwünke auf vier Noten für Pft. von Florestan", in het licht verschijnen. Deze avontuurlijke titel is — vermoedelijk op aansporing van den uitgever — veranderd, daar Schumann zich nog een jaar vroeger beslist voor een duitschen titel verklaarde, (vooral de woorden composé en dediê kon hij niet uitstaan). Daarom is het ook moeielijk aan te nemen, dat hij zelf den titel: Marche des Davidsbündler contre les Philistins, zou hebben geschreven boven het laatste nummer.

Schumann liet zich hoogst eenvoudig over dit werk uit. Hij schreef: „Das Ganze hat durchaus keinen Kunstwerk; einzig scheinen mir die vielfachen verschiedenen Seelenzustande von Interesse. Die Ueberschrifte setzte ich spater darüber."

Toen Liszt ze in 1840 te Leipzig op een concert speelde, erkende Schumann deze stukken: „Spielereien wie sie nach Baeh's Vorgang nichts neues mehr sind."

Sluiten