Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

435

In ons moderne muziekschrift bestaat iets, wat daarop gelijkt. Men denke aan den mordent (a|a), üe^ 9ruPpetto (dubbelslag, CO) en de andere versieringen, waarbij eveneens meerdere tonen door één teeken worden vertegenwoordigd.

Het hoofdbeginsel dan, waarnaar de gregoriaansche gezangen op den grondslag der oude neumeering door Houdard worden hersteld, laat zich het duidelijkst uitspreken als volgt:

Ieder neumen-teeken, hetzij het een enkelen klank vertegenwoordigt, hetzij het meerdere tonen tot een groep verbonden voorstelt, is één teltijd, ééne tijdeenheid, één slag; het wordt in de vertolking weergegeven door eene kwartnoot of wat in tijdswaarde met eene kwartnoot*) overeenkomt, zooals 2 achtsten, eene triole, 4 zestienden, eene kwintole, enz., al naar het aantal noten dat eraan beantwoordt. Bijv. eene tweeledige neume wordt weergegeven door #H, eene drieledige door Cï^ , eene vierledige door HT1 , eene vijfledige door RpRR > enz-

dié e » è è »<•*»*

De neumen-teekens bestaan hoogstens uit 8 tonen.

Om de leer met een voorbeeld te illustreeren plaats ik mij wederom voor de notenreeks in het artikel Oneenige eenheid (Augustus). Wij zien daar een aantal noten van onbestemde waarde door boogjes tot groepen verbonden. Verondersteld, f) dat deze groepeering overeenkomt met die van de oudste handschriften, dat derhalve ieder notengroepje aan eene neume beantwoordt, dan zal Houdard dit melodie-gedeelte als volgt lezen:

Aan dit voorbeeld knoop ik een drietal bemerkingen vast: 1. Voor wie de zienswijze van Houdard aanvaardt worden de melodieën onmiddellijk leesbaar. De aanwijzing van de verschillende tijdswaarden is, strikt genomen, niet eens noodig, omdat de groepeering zelve den rythmus aangeeft; immers iedere groep van 2 noten is een tweetal achsten, iedere groep van 3 noten is een triole, enz. De juistheid van den rythmus zal geheel afhangen van de juistheid der groepeering.

*) De reden, waarom juist de kwartnoot als eenheid is gekozen en niet de heele of halve noot, zal duidelijk zijn, wanneer men aan de groepeering der kleinere tijdswaarden denkt. Achtsten, zestienden en verdere fracties zijn met grooter aanschouwelijkheid tot eenheden te verbinden dan halve noten en kwarten.

f) Het is slechts eene veronderstelling! Gelijk overal elders in de noten-manuscripten is ook op deze plaats de groepeering foutief en ontbreken de melodische versierselen zoowel als de voordrachtsteekens. Het fragment is evenwel bruikbaar om H.'s beginsel aan een voorbeeld te toonen.

Sluiten