Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

437

Voor de overige bewijzen, waarmede H. zijn beginsel staaft, verwijs ik naar de werken zelf. Zij komen Hierop neer:

1. Als men het beginsel ééne neume = één teltijd verwerpt, dan is het neumenschrift een monsterlijke, onsamenhangende onbegrijpelijkheid.

2. Neemt men hetzelfde beginsel aan, dan wordt de antieke noteering onmiddellijk leesbaar, gelijk zij oudtijds was; men aanschouwt eene wel-geördende wei-verstaanbare melodie, waarvan de deelen en onderdeelen zich onderling in harmonieus evenwicht bevinden.

3. Als de oude componisten eene andere melodie (b.v. de benedietijnsche) hadden bedoeld, dan zouden zij die ongetwijfeld hebben opgeschreven: zij beschikten ruimschoots over de noodige teekens. Zij hébben het niet gedaan.

Het spreekt vanzelf, dat de hier saamgevatte redeneering lang en breed en met de noodige voorbeelden en illustraties in de werken zelf wordt ontwikkeld. Houdard heeft zich blijkbaar de neumennoteering zóó eigen gemaakt, dat hij ze met eenzelfde gemakkelijkheid hanteert, waarmede ieder tijdgenoot-musicus zich van het moderne muziekschrift bedient.

Heeft Houdard eenmaal het beginsel vastgesteld dat eene neume rythmisch overeenkomt met een teltijd, dan vindt hij dit met meerdere of mindere klaarheid uitgesproken in de oppervlakkige, dikwijls verwarde verhandelingen der oud9 schrijvers. Let wel: de theorie is niet afgeleid uit die geschriften vol duisternis en tegenspraak, maar het resultaat der neumenstudie wordt beschouwd als de gegeven oplossing van het probleem, dat de oude schrijvers ons hebben nagelaten. Niet de onduidelijke auteurs worden ondervraagd ter verklaring van de neumen, maar omgekeerd: het duidelijke neumenschrift is voor H. het licht, dat op de verwarde en contradictoire getuigenissen der Oudheid en Middeleeuwen geworpen, schifting, vergelijking en verklaring mogelijk maakt. Voor deze handelwijze bestaat wel eenige reden. Wat heeft men al met die oude auteurs gesold! Erkent men heden het onrecht hen als patroons van den vagen taalrythmus te vereeren, in wat verschillende vertaling, verschillende cursiveering en verschillende omlijsting hebben hunne volzinnen (geheel of gedeeltelijk) al geprijkt op de onderscheidene etiketten en advertenties van het „echte traditioneele" Gregoriaansch! De kennismaking met deze eeuwenoude verhandelingen zal men niet licht bevorderlijk noemen voor den eerbied, waartoe de Faam ons jegens de antieke en middeleeuwsche muziekmeesters verplichtte. De wijze toch waarop zij hun kennis mededeelen en hun onderricht voordragen steekt menigmaal sterk af bij den grooten naam, die latere geslachten hun hebben toegekend. Om een idee te geven: als Guido van Arezzo (955—1050), zijne compositieleer schrijvende, gekomen is aan een punt, dat vooral verklaring noodig had en voor onze kwestie van beteekenis zou kunnen zijn, dan breekt hij zijne uiteenzetting plotseling af met de woorden:

Sluiten