Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

440

het voorafgaande citaat. Evenals de vier lettergrepen van de woorden amo templum respectievelijk bestaan uit één, twee, drie, vier letters:

a 1

m o

2

tem 3

plum 4

zoo ook worden in de muziek de tonen tot eenheden verbonden, die men „muzikale lettergrepen" (syllaben, groepen) kan noemen en die nu eens bestaan uit slechts één enkelen klank, dan weer uit twee, drie of vier tonen, tot eenheden samengevoegd:

De vergelijking is kinderachtig, doch laat aan duidelijkheid niet veel te wenschen over, en de geheele plaats uit dit geschrift van de Xde eeuw wordt door Houdard in een zin opgevat, die voor 't minst op waarschijnlijkheid mag aanspraak maken. De leer, die iedere noot met een lettergreep gelijkstelt en zoo tot de gelijkwaardigheid van alle noten besluit *), is — men zal het moeten erkennen — met de uitspraken van Guido en Oddo zeer moeilijk overeen te brengen. Wat de vertaling betreft der aangehaalde getuigenissen heb ik eenvoudig getracht het slechte Latijn in verstaanbaar Nederlandsch om te zetten, in aanmerking nemende, dat zelfs eene woordelijke vertaling zelden veilig is tegen de vitterij van een letterknecht.

De bezwaren die tegen Houdard's theorie worden aangevoerd zijn velerlei.

Eiemann's eenige opwerping is dat H. zich tot teltijden bepaalt en geen hoogere eenheden (maten) erkent. (H. d. M. I. 2. p. 12).

Het antwoord van H. ligt voor de hand: Het neumenschrift geeft geen hoogere eenheden te lezen. Ik constateer eenvoudig wat de oude noteering zegt. Als deze geen moderne maat te erkennen geeft, dan is ook niemand, die de bedoeling der oude notateurs wil eerbiedigen, bevoegd er moderne maat in te fantazeeren.

Dechevrens en de overigen (Eerste Groep) wijzen Houdard op teksten van de middeleeuwsche schrijvers (Hucbald, Guido, e. a.) die in zijne synthese kwalijk passen en beter in hunne respectievelijke stelsels een onderkomen vinden. Daartegenover wijst Houdard op andere getuigenissen, die alleen in zijn systeem hun redelijke verklaring vinden en met de overige opvattingen onvereenigbaar zijn. Bovendien zal men zich herinneren dat H. de middeleeuwsche getuigenissen

*) Vgl. Tribune de St. Gervais, 2e année, no. 12 alsmede Revue de Grenoble mars 1899, p. 133 e. a.

Sluiten