Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

458

die hem te gemoet traden, op het natte gras uit te wijken. Bij die gelegenheid moet de keizer gezegd hebben: „An solche Leut'muss man sich erst gewöhnen."

Met Beethoven vangt de eeuw aan, waarin het aantal vorstelijke kunstbeschermers gestadig toeneemt. De hoftheaters worden met steeds grooter pracht ingericht, de hofkapellen tot orkesten van den allereersten rang gemaakt, en de gekroonde hoofden beijveren zich, de grootste kunstenaars en virtuozen aan hunne schouwburgen te verbinden.

Het zou aan deze schets een te groote uitbreiding geven, zoo ik alles wilde opsommen wat in die eeuw door de vorsten is verricht tot bevordering en bescherming der toonkunst. Alleen wensch ik nog even het licht te doen vallen op een feit, dat in zekeren zin als een tegenstelling van Mozart's verhouding tot zijn vorstelijken gebieder kan aangemerkt worden. Ik bedoel den steun, door koning Lodewijk van Beieren aan Richard Wagner verleend.

Hier hebben wij niet te doen met een vorst, die, gehecht aan een traditioneele kunst, alles wat daarvan afwijkt, met onverschilligheid behandelt en die onverschilligheid ook uitstrekt tot de vertegenwoordigers der nieuwe kunst, maar met een bevorderaar van den vooruitgang, waar deze zich in het geniale openbaart. Wat de dramatisch-muzikale kunst aan Lodewijk II van Beieren verschuldigd is, behoeft, als overbekend, hier wel niet uiteengezet te worden. Hij was het, die Wagner de reddende hand toestak, toen de meester arm en verlaten rondzwierf, en hem toeriep: „Kom tot mij, voleindig uw werk; ik wil het!"

Maar vergeten wij daarbij niet die andere in maatschappelijken zin niet zoo hooggeplaatsten, die vóór dat critieke tijdstip den meester eveneens in zijn nood hebben bijgestaan. Laat ons denken aan Liszt en Otto Wesendonk; ook zij waren kunstbeschermers in den waren zin van het woord, toen zij door het verleenen van materieelen steun Wagner in staat stelden om met minder zorg voor de toekomst voort te werken aan de taak, die hij zich tot levensdoel had uitgekozen. Van hunne edele daden in dit opzicht getuigen de briefwisseling Wagner-Liszt en de in de laatste jaren verschenen brieven van Wagner aan Wesendonk.

Het voorbeeld van Wesendonk doet zien, dat er ook onder de eenvoudige burgers personen worden aangetroffen, die als ware protectoren der kunst verdienen genoemd te worden. Trouwens, de geschiedenis levert daarvan vele bewijzen op. Wellicht vind ik later gelegenheid om ook daarover bet een en ander te zeggen.

Sluiten