Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

494

eventueel blijken, niet te veel van den lezer en van de redactie, gevergd te zijn, dan zou ik gaarne hierop laten volgen: de algemeene formuleering van het kunstoordeel, tenzij bevoegder pennen dan de mijne door deze zaak worden bewogen en op de hier verstrekte gegevens, of op betere, willen voortbouwen. Dit, ter inleiding.

Onze tijd noemt men wel eens: de tijd der wetenschap. En inderdaad, bijna onbeperkt beheerscht de wetenschap het geestesleven der menschen. Zij voert een hegemonie over de uitingen des geestes. Zij is 't die het peil van beschaving der volkeren vaststelt en het valt niet te ontkennen dat velen met dezelfde piëteit in hunne ongeloovige gemoederen de wetenschap vereeren, als eertijds hun religieuze voorvaderen hun God.

De meest dweepzieke dezer vereerders, kunnen zich het licht der waarheid niet anders voorstellen, dan de verblindende glans, die voor hen uitgaat van een academischen graad. Men mag van hen veilig spreken als van een sekte, wier eenig geloofsartikel uitdrukt: het onbeperkte geloof in alles wat wetenschappelijk geconstateerd en gecontroleerd kan worden. Vooral echter hechten zij waarde aan het eerste gebod hunner leerdienst: alles wat niet wetenschappelijk kan worden vastgesteld is onwaar, berust op leugen en leidt tot valsche onderstellingen.

Deze sekte kan geen andere dan systematische wetenschap „voor echt erkennen" en wanneer de wetenschap al te zeer op hypothese of' speculatieve kennis moet steunen, dan systematiseert zij die hypothesen of die kennis. Dit is dan ook voor den zelfstandigen wetenschapsmensch het groote nut der sekte: zij ordent en controleert het gevondene.

Evenwel — hoezeer zij het werk der pionniers, der vinders, vergemakkelijken — toch vindt men onder deze menschen zelden hoogstaande wetenschapsmannen. Veeleer zullen dezen leek en collega verbazen door ontzagwekkende geleerdheid, naast schrikbarende eenzijdigheid.

Deze sekte is het, die wellicht het meest ijvert tegen alles wat naar kunst zweemt en vooral naar de kunst, die tegenwoordig het verste van de wetenschap afstaat: de muziek. De musicus wordt door hen een veel lager wezen geacht, dan zij zelve zijn, of ook wel: (dit laatste gelukkig steeds minder) in hun oog is de musicus een luie dagdief. Vast staat voor hen, dat zijn arbeid doelloos en nutteloos is.

Het groote publiek neemt al te vaak deze qualificatie over en vraagt men: „Met welk recht acht dan eigenlijk het publiek den ijverigen boekengeleerde, hóóger dan den meest ijverigen brood-musicus?" dan kan hierop feitelijk geen antwoord worden gegeven: immers in ontwikkeling buiten hun vak staan beide personen volkomen gelijk, d. w. z. even laag. Daarom zouden wij alleen maar kunnen zeggen: „het publiek vindt nu eenmaal, dat het vanzelf spreekt".

Sluiten