Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

512

genden zomer; Buxtehude en dergelijke oudjes zouden dan een beurt krijgen met nog eens Reger en Bach, en ook Alexander Ritter.

Eu nu is het seizoen begonnen. Godowsky en Mossel openden het en de eerste épateerde de vrij groote belangstelling nog meer dan bij vroegere gelegenheden door zijn voor niets. . . terugdeinzende techniek. Hij had een eenige dagen te voren te Heringsdorf door hem voltooide Kontrapunktische Concertparaphrase over de bekende Künstlerleben-wals van Johan Strauss II meegebracht, een lange serie onmenschelijke greepcombinaties, waarbij men zich zat af te vragen, hoe het mogelijk was, dat 's spelers vingers er niet bij in den knoop raakten. Het was ontzettend knap, knap van uitvoering en knap van technische ineenzetting. Maar ik beleefde toch grooter vreugde door drie andere noviteiten, welke Godowsky speelde: drie kleine composities van den Rus Scridbine, een Prélude, een Nocturne en een Poème, fijne stemmingsstukjes, evenals de kleine klavierzaken der meeste Jonge-Russen lichtelijk door Chopin of Schumann beinvloed, maar getuigend van een natuurlijk toondichterlijk talent. De Prélude is voor de linkerhand geschreven. Scriabine componeerde ze, nadat hij op een fietstochtje was gevallen en daardoor de rechterhand gedurende eenigen tijd niet kon gebruiken. Dit ter toelichting voor degenen, die vragen, waarom het noodig is, voor één hand te componeeren, als er twee gerequireerd kunnen worden.

Na Godowsky kwam Busoni. Hij speelde van Bach, Beethoven, Chopin en Liszt en bracht vooral door de interpretatie der laatste meesters de grootendeels door de zorgen der muzikale diaconie gevulde Nutszaal in vervoering.

Twee dagen vóór hem was in een matinée van den Potterdamschen Kunstkring een jeugdige stadgenoote gevierd. Lien Lelyveld, vroeger leerlinge van Sikemeier, thans van Julius Röntgen, deed er de bewijzen klinken, dat zij is een klavierspeelster van ongewone begaafdheid, zoowel in muzikaal als in technisch opzicht. Zóó, als zij Beethoven's voor publieke ooren niet „dankbare" WaldsteinSonate voordroeg, kunnen het alleen met rijp gevoel begenadigden; zij releveerde de muziek, en de gladde vaardigheid was daarbij zóó natuurlijk, dat zij eenvondig leek. Met het Intermezzo op. 117 no. 1 en het es moll-Scherzo van Brahms toonde zij nog eens haar in welbeheerscht temperament uitgezongen muzikaliteit, en aan Röntgen's brillante Variationen und Finale über Ungarische Czardas bleven haar radde vingeren niets schuldig.

Een fijn-voelende begeleidster had mejuffrouw Lelyveld zich getoond in het accompagnement van liederen van Schubert, Brahms, Anna Lambrechts—Vos, L. P. Brandts Buys en Zweers, gezongen door een andere jonge stadgenoote, mevrouw Jacoba Hendrikse—Mik, die met haar in dezelfde matinée soliste was. Door bevangenheid lukte het deze zangeres niet altijd, haar voordrachtsbedoelingen geheel verstaanbaar te maken: zij bleek niettemin in het bezit van een welluidende, beter naar omlaag dan naar omhoog ontwikkelde mezzo-sopraanstem, en van goed begrip, van hetgeen zij zong. Door de heerlijk-stemmige voordracht van Zweers' Vergeet-mij-Nietjes, tegen het eind van het concert, toonde zij, wat zij kan, als zij door de publiekvrees heen is.

Nog een speciaal Rotterdamsch .concert was het eerste der Wolff-VerheijConcerten, die nu hun zevende jaar zijn ingegaan en zich blijven verheugen in een voor deze stad buitengewoon groote belangstelling. Mevrouw Noordewier— Reddingim bracht er het subliem genot van haar serafijnenzang in liederen van Schubert en Diepenbrock {Sonnet — gedicht van Karei Alberdingk Thijm — Clair de lune — Paul Verlaine — Romance — Brentano — en O Jesu, ego amo Te).

Overigens was dit concert belangrijk door het debuut van het Rotterdamsch

Sluiten