Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

526

alleen schuld heeft. De novelle is uit het Fransch vertaald en daarin komen de woorden : „reine Thor" cursief gedrukt of tusschen aanhalingsteekeus voor, hetgeen de vertaalster, die zeker nooit van Wagner of van Parsifal iets gehoord of gelezen heeft, gelooven deed dat reine: koningin beteekent. Doch dat zij niet op de gedachte is gekomen dat er moeielijk iets wellustigs in kan schuilen wanneer eene vrouw de voeten eener koningin zalft, blijft wel het grootste raadsel en geeft een treurig staaltje van gedachteloos vertalen.

R. W. L.

2. Bijzonderheid uit Joh. Seb. Baah's jeugd. Kort na zijn opname in het MichaëlsGymnasium te Lüneburg, begon Bach's stem te wisselen. Die mutatie openbaarde zich zeer eigenaardig door een dubbele stem. Gedurende acht dagen klonk bij iederen toon het lagere octaaf mede.

3. Uit de „Erinnerungen van Richard Wagner". Dikwijls is er over geklaagd dat Richard Wagner zijn zoo rijke herinneringen en ervaringen niet heeft te boek gesteld, en dat die rijke schat voor de nakomelingschap verloren is gegaan. Dit nu is onjuist, want Wagner heeft eenige jaren voor zijn dood zijne „Mémoires" niet alleen geheel opgeschreven, maar ook laten drukken. Ze zijn echter niet voor het publiek beschikbaar gesteld en worden te Bayreuth trouw bewaakt, omdat de meester daarin alles wat hij doorleefde en ziju gedachten volkomen openhartig heeft neergelegd.

Slechts eenige vrienden hebben die mogen zien. Richard Pohl o. a. was zoo gelukkig, daar de meester hem een fragment daarvan toezond, omdat er eene episode in wordt verhaald die betrekking heeft op diens eerste ontmoeting met Wagner. Pohl's weduwe heeft nu dit fragment (bladz. 79 en 80 van het 3e deel van Wagner's: „Erinnerungen") in de Frankfurter Zeitung gepubliceerd, die wij onvertaald weergeven:

„Liszt hatte vom Groszherzog von Baden dazu eingeladen, in Karlsruhe ein Musikfest veranstaltet und geleitet, welches der Tendenz, unsere eigenen Kompositionen in Achtung gebietender Weise zu Gehör zu bringen, gewidmet war. Ich selbst durfte das Gebiet des deutschen Bundes noch nicht betreten; somit hatte Liszt Basel als nachsten Punkt an der Badenschen Grenze erwahlt, um dort mir einige jüngere Freunde, welche um ihn in Karlsruhe versammelt gewesen, zur Begrüssung zuzuführen. Ich war zuerst am Ort, und sass des Abends allein im Speise-Saal des Gasthofes „Zu den drei Königen", als ich im Vestibule von einem nicht zahlreichen, aber kiaftigen Mannerchor die Trompetenfanfare des Königsrufes aus „Lohengrin" gesungen hörte. Die Türe öffnete sich, und Liszt als Chef führte die liebenswürdige und heitere Bande mir zu. Zum ersten Male seit seinem abenteuerlichen Winter-Aufenthalt in Zürich und St. Gallen sah ich Bülow wieder, mit ihm Joachim, Peter Cornelius, Richard Pohl und Dionys Bruckner. Für den andern Tag meldete mir Liszt die Nachkunft seiner Freundin Caroline v. Wittgenstein mit ihrer jungen Tochter Marie an. Es konnte nicht fehlen, dass die ungemein freudige

Sluiten