Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

533

dische stroom even natuurlijk, en somtijds — vooral in de Ouverture is dit het geval — wordt de muziek, daar waar ze luchthartig en opgewekt moet schijnen, minder nobel, op 't kantje van het banale af.

Eene andere Suite, gecomponeerd naar aanleiding van Maeterlinck's „Pelléas et Mélisande", trekt zeer de aandacht. Hoogst interessant is het, hier na te gaan hoe de componist de vage en mystieke stemmingen van den dichter heeft nagevoeld en weergegeven. Op de vraag of hem dit gelukt is, waren na de eerste opvoering hier ter stede, de antwoorden zeer verschillend. Naar mijne persoonlijke meening mogen enkele nummers gerekend worden tot het beste wat in den laatsten tijd geschreven is.

De harmoniseering is beslist Noorsch en doet aan Grieg denken; de melodiek is van eene wonderteere subtiliteit. Zij alleen reeds geeft het bewijs dat de componist sterk ontroerd is geworden door het zoo bizondere drama; dat die ontroering zich direct in zijnen geest in klanken heeft omgezet; kortom dat hij hevig geïnspireerd is geworden.

Geïnstrumenteerd is deze Suite op eene zeer eigenaardige manier! Slechts een beperkt getal blaasinstrumenten is voorgeschreven, en die zijn nog met de uiterste omzichtigheid en met de wijste economie aangewend; het resultaat is eene ware klanken-weelde.

Naar mijne overtuiging zal deze Suite, mits met zorg voorbereid en met smaak en gevoel voorgedragen, weldra een geliefd repertoire-stuk worden. Ik meen echter te moeten voorstellen van de acht nummers, minstens twee weg te laten, want speelt men de Suite in haar geheel, dan laat zich eene gewaarwording van „te lang", ontstaan door de ééneoortigheid der klankkleuren, niet verdringen.

Nog eene Suite voor orchest, samengesteld uit de entr'acte-muziek die Sibelius componeerde bij het treurspel „Koning Ohristiaan II" van Adolf Paul, is hier te lande geïntroduceerd door het Philharmonisch Orchest uit Berlijn.

Van eene geheel andere zijde laat Sibelius zich kennen in zijne Symphoniën. Rosa Newmarck vermeldt in hare brochure dat hij de laatste hand legde aan eene derde Symphonie; deze zal dan nu wel reeds voltooid zijn en zeker ook spoedig verschijnen. De tweede is mij zoo goed als onbekend; slechts eenige uren had ik de partituur onder mijne berusting; lang genoeg voor eene hoogst vluchtige kennismaking, maar veel te kort om eenen beslisten indruk te verkrijgen.

Mag ik dus over dit werk geen oordeel uitspreken, over de eerste Symphonie, die in 1893 hier ter stede onder mijne leiding werd uitgevoerd, zij mij dit wel vergund.

Het is — in tegenstelling met de meestal zeer korte symphonische gedichten van S. — een uitgebreid werk, dat volle veertig minuten speelt.

Een overrijk thematisch materiaal wordt in deze Symphonie verwerkt. Mooie melodiën — niet altijd van het kuisch-symphonische karakter waaraan de groote meesters ons gewend hebben — trekken in grooten getale de aandacht, en zijn vaak op uiterst oordeelkundige manier, met mooi resultaat aan de blaasinstrumenten toebedeeld. Vooral de clarinet en hoorn blijken 's componisten lievelings-instrumenten te zijn.

Maar . . . eenvoud in stemming, bouw en vorm, is niet aanwezig!

Daarmee zij niet gezegd dat het stuk geene stemmingen wekt. Integendeel:

Sluiten