Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREFKANSBEREKENING.

21

constructie van het kanon, dan zal een schijfbeeld, verkregen bij schietoefeningen, een inzicht geven in de fouten der richters; de onnauwkeurigheden van het kanon oefenen op dit schijfbeeld weinig of nagenoeg geen invloed uit.

Het komt mij voor, dat de bovenstaande veronderstelling wel als juist kan worden aangenomen.

Men mag hieruit m. i. de gevolgtrekking maken, dat de trefkans bij het practisch schieten op eene verticale schijf met een goed kanon nagenoeg onafhankelijk is van dit kanon.

Om eene goede trefkans te verkrijgen dient men daarom zorg te dragen voor goede richtmiddelen en voor goed geoefende richters, waarbij uit den aard der zaak nog als eisch moet worden gesteld, dat het gemiddelde trefpunt goed is gelegen.

De omstandigheden, waaronder geschoten wordt, (wind, beweging van het schip enz.) zullen eveneens oorzaken kunnen zijn van groote afwijkingen, ten opzichte waarvan de afwijkingen van het kanon vaak van ondergeschikt belang worden.

De op het schietterrein bepaalde trefkans-gegevens zullen dus volgens het bovenstaande van meer belang voor de praktijk worden naarmate:

ie. de richtmiddelen beter zijn;

2e. de richters beter geoefend zijn ;

3e. de gunstigste plaats van het gemiddelde trefpunt bij het schieten gehandhaafd kan blijven, waartoe na het inschieten de afstandsverandering zuiver moet worden toegepast, en

4e. de omstandigheden gunstiger zijn.

Bij het schieten op eene schijf heeft het doel alleen afmetingen in breedte en hoogte.

Heeft het doel echter afmetingen in lengte, breedte en hoogte, dan kan men zich dat doel vervangen denken door een doel op denzelfden afstand geplaatst, dat alleen afmetingen in breedte en hoogte heeft. De breedte van beide doelen is gelijk; de hoogte van het gedachte doel wordt verkregen door de hoogte van het werkelijke doel te vermeerderen met de lengte daarvan, vermenigvuldigd met den tg. van den invalshoek. De hoogte en dus ook de trefkans zal grooter worden naarmate de invalshoek grooter is, waarbij echter wordt uitgegaan van de veronderstelling, dat de artilleristische afstand bij ieder schot volkomen juist bekend is.

Deze afstand zal echter bij de opvolgende schoten een veranderlijk verschil vertoonen met den afstand, waarvoor de richtmiddelen gesteld zijn; men verkrijgt daardoor eene afwijking in lengte, die door vermenigvuldiging met den tg. van den invalshoek kan worden herleid tot eene afwijking

Sluiten