Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i8o

HET JAARVERSLAG DER ROTTERDAMSCHE

vijandelijke strijdkrachten bestemd zijn, maar zelfs als hare eindbestemming via een neutrale haven het vijandelijk gebied is, als contrabande worden genomen. Bij vermoeden daarvan, en dit vermoeden is door de oorlogsschepen tot regel gestempeld, ja zelfs op uitgaande schepen toegepast, werd het schip opgebracht en de zaak aan het oordeel van den prijsrechter onderworpen. Die prijsrechter is niet een buiten de partijen staande internationale prijsrechter, maar die van het land, welks oorlogsschip het neutrale vaartuig heeft opgebracht. Wel is door de bij de tweede Haagsche Vredesconferentie vertegenwoordigde mogendheden tot de instelling van een Internationaal Prijzenhof bij verdrag besloten, maar dit verdrag, hoewel geteekend, is nog niet bekrachtigd, omdat men daarmede wilde wachten tot na de bekrachtiging van de Londensche Zeerecht Declaratie, die het materiëele recht zou vaststellen, dat in de formeele procedure voor het Internationaal Prijzenhof zou worden toegepast.

Voor het prijsgerecht van den buitmakenden staat moet dus — naar den thans toegepasten regel — de eigenaar der buitgemaakte lading bewijzen, dat de eindbestemming niet was het vijandelijk gebied. Dat dit in vele gevallen uiterst moeilijk moest vallen ligt voor de hand, wanneer daarbij tevens bedacht wordt, dat door meervermelde Order in Council de „vermoedens", die tot inbeslagneming van conditioneele contrabande kunnen leiden, buiten de grenzen der Zeerecht Declaratie zijn uitgebreid. De vijandelijke bestemming der goederen toch kan volgens de Order in Council worden afgeleid uit „elk voldoende bewijs" en zal bewezen geacht worden, indien de goederen rechtstreeks of middellijk zijn geadresseerd aan een agent van den vijandelijken staat of aan een koopman of iemand anders, die afhankelijk is van de overheden van den vijandelijken staat.

In den thans gevoerd wordenden oorlog wordt niet alleen getracht met leger en vloot de overwinning te behalen; de tegenstanders trachten elkaar ook economisch uit te putten door den toevoer van levensmiddelen en bestaansbehoeften zooveel mogelijk af te snijden. Vandaar het streven om te beletten, dat van deze goederen over zee naar neutrale landen meer wordt gevoerd dan ter voorziening in de behoeften van de onderdanen dier neutrale staten noodig is, zulks uit overweging, dat dit meerdere door den onzijdigen handel aan inwoners van een der oorlogvoerende partijen zou worden verkocht; een verkoop, waarvan men niet zou

Sluiten