Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

106

leden der Maatschappij op den tweeden dag der jaar- / lijksche muziekfeesten de helft van den toegangprijs van niet-leden moeten betalen, hetwelk nooit meer dan ƒ 1,50 de persoon kan zijn. Dat men hierin een reden tot afscheiding meent te vinden, heeft mij ten sterkste verbaasd. Vóór dien tijd bezaten de afdeelingen het recht om den kosteloozen toegang voor de leden tijdelijk te beperken of op te heffen (art. 23 der wet), zooals o. a. plaats had bij het tweedaagsch muziekfeest in '69 te Rotterdam gehouden, toen de toegangsprijs op den tweeden dag voor de leden gelijk was gesteld met dien voor niet-leden, zegge f3. Feitelijk is men dus door de nieuwe bepaling in een betere conditie gekomen. De kleinere afdeelingen, waar de leden toch al een geringe contributie betalen, waren er echter tuk op om ook den tweeden dag den toegang voor de leden vrij te laten, waarvan het onvermijdelijke gevolg moet zijn dat de ontvangsten niet hoog kunnen stijgen. Men moet ook niet uit het oog verliezen, dat de eerste dag dier muziekfeesten uitsluitend voor de leden der Maatschappij toegankelijk is, hetwelk voor hen geen gering voordeel oplevert. Toen in '72 het hoofdbestuur toegaf aan het verlangen om het crediet tot op ƒ6000 te verhoogen, onder welke som geen tweedaagsch muziekfeest kan gegeven worden dat die naam waardig is, moest zij er ook voor zorgen dat door een wettelijke bepaling de mogelijkheid werd geopend voor een ontvangst, die in evenredigheid is van de belangrijke kosten. De hiervoor genoemde bepaling werd niet willekeurig door dit bestuur gemaakt, maar door de afdeelingen bij meerderheid van stemmen ' aangenomen. Er zijn er, die schijnen te vergeten, dat tegenover de belangrijke kosten van een muziekfeest, ook evenredige ontvangsten moesten staan. Wanneer de jaarlijksche tweedaagsche muziekfeesten zoodanig werden ingericht, dat zij telkens duizende guldens aan de algemeene kas moeten kosten, dan zouden de beschikbare middelen spoedig uitgeput worden en er van muziekfeesten geen sprake meer kunnen zijn. En wat wordt er nu van een lid der maatschappij gevergd ? Dat hij voor de bijwoning van een tweedaagsch muziekfeest ƒ 1,50, zegge een gulden vijftig cents, offert. Wie daarin een reden vindt om zich van de Maatschappij af te scheiden, verwijs ik naar onze duitsche naburen. Op de Rijnsche Muziekfeesten betaalt men voor de drie feestavonden, inclusief de repetitiën, omstreeks vijftien gulden hollandsch! En toch zijn daar de groote zalen, die 2000 personen en meer bevatten, tot de laatste plaats toe bezet! Het is zeker wel aardig, iets te genieten dat ons niets kost; maar men moet toch begrijpen, dat zulks op den duur onbestaanbaar is. Dat overigens de door H. zoo gewraakte bepaling voor de kleinere afdeelingen geen nadeelige gevolgen heeft gehad, blijkt uit het volgende : in 1872 i had Dordt 70 contrib. leden; in 1874, 210;

» » »Utrecht 336 » » ; » » 380.

En zelfs Arnhem, dat in '72 202 leden telde, bezat die in '74 nog.

Ik vertrouw het onjuiste der door H. aangevoerde grieven door het bovenstaande genoegzaam te hebben aangetoond en hoop daardoor mede te werken, om een onrechtvaardige beoordeeling van de Maatschappij t. b. d. toonkunst en van haar wijze van werken te voorkomen of te bestrijden.

Rotterdam, Juni '75. W. Witkamp.

Voor het in werking treden der nieuwe bepaling.

Necrologie.

, Op 20 Maartjl. overleed te Neurenberg, na een langduriglijden, onze vroegere landgenoot Johannes Franciscus Du pont, laatstelijk kapelmeester aan het stads-theater aldaar. Den 3n Augustus 1822 te Rotterdam geboren, openbaarden zich reeds vroegtijdig bij hem een groote aanleg en liefde voor de muziek, die meer en meer werden aangekweekt door het onderricht hetwelk hij ontving op viool en pianoforte van Tours en Heinen. Het aanvankelijk voornemen van zijn vader om hem voor doctor in de medicijnen te laten studeeren, werd na rijp beraad opgegeven en besloten hem, overeenkomstig zijn vurig verlangen, voor de toonkunst te doen opleiden. De jonge Dupont vertrok kort daarop, naar het conservatorium te Leipzig, waar hij het onderricht genoot van Mendelssohn, David, Moscheles en. Hauptmann, die hem onder hun beste leerlingen telden. Ook had hij daar veel omgang met Rob. Schumann, wiens dichterlijke geest mede niet zonder invloed op hem kon blijven. Na zijn studiën op eervolle wijze te hebben geëindigd — o. a. werd hem voor een pianotrio de eerste prijs toegekend — keerde de jeugdige kunstenaar naar zijn vaderstad terug en vestigde zich aldaar. Thans zou bij echter gaan ondervinden hoe moeilijk het was zich een werkkring te scheppen, waarop zijn talenten hem aanspraak gaven en dit nog te meer, daar hij in dit streven weinig medewerking ondervond. Te Amsterdam, Utrecht, Dortmund en verschillende andere steden trad hij als solo-violist op en verwierf daar veel bijval; maar zijn vurige geest kon daarin op den duur geen voldoening vinden en de virtuozen-loopbaan werd later ook geheel opgegeven. Dupont streefde er vooral naar om orkest-directeur te worden en als zoodanig zijn kracht te toonen. Na zeer veel moeite en na telkens nieuwe bezwaren te hebben moeten overwinnen, gelukte het hem in het najaar van 1849 de »Philharmonische Vereeniging" in het leven te roepen, welker doel was iederen winter geregeld een reeks concerten te geven, uitsluitend aan orkestmuziek gewijd. Een jaar later werd daaraan een pensioenfonds verbonden, in gelijken geest als de toen reeds bloeiende maatschappij »Caecilia" te Amsterdam. Dupont was in den volsten zin des woords de ziel dier vereeniging. Het groote kunstgenot, dat die concerten verschaft hebben, zal ongetwijfeld bij velen, evenals bij i ons, nog in dankbare herinnering zijn! Terwijl van een behoorlijke voorbereiding van de uitvoering der orkestwerken op de »Eruditio"-concerten geen sprake kon zijn — voor het repeteeren van een symphonie, een paar ouvertures en verschillende solostukken waren toen slechts enkele uren beschikbaar — werden daar, na zorgvuldige voorbereiding, onder Duponts geinspireerde leiding de meesterweken van Haydn, Mozart, Beethoven, Weber, Schubert, Spohr, Mendelssohn, Schumann en anderen op voortreflijke wijze ten gehoore gebracht en leerde men die naar waarde schatten. Zoo werden in éen winter in geregelde volgorde de negen symphonieën van Beethoven uitgevoerd. Dupont leverde daarmede het bewijs van een even uitmuntend orkestdirecteur als waarachtig kunstenaar te zijn. In 1850 werd door eenige vereerders en beoefenaars der toonkunst een liefhebbersconcert, »Diligentia", opgericht, waarvan Dupont tot directeur werd benoemd en welke betrekking hij tot aan zijn vertrek uit Rotterdam, waardoor de Philharmonische Vereeniging ophield te bestaan, met den meesten lust en ijver vervulde. Omtrent dien tijd werd hij ook benoemd tot onderwijzer in de theorie en compositieleer aan de muziekschool van de rotterdamsche afdeeling van de Maatschappij

Sluiten