Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE KUNST.

Sint-Lucas Tentoonstelling 1911.

Stedelijk Museum, Amsterdam.

II.

Onder buitengewoon groote belangstelling is j.1. Zondag de 21ste jaarlijksche tentoonstelling van kunstwerken der vereeniging Sint-Lucas in het Stedelijk Museum geopend. De plechtigheid werd in de eerste plaats vereerd met de tegenwoordigheid van onzen burgemeester jhr. mr. dr. A. Roëll en mevrouw Roëll, van mevrouw HeemskerkDe Zaremba, echtgenoote van den ministerpresident, en van vertegenwoordigers van zusterverenigingen, en voorts door een zeer groot aantal kunstenaars met hunne dames.

De voorzitter der vereeniging, de heer Carl Breitenstein, hield naar gewoonte eene korte openingsrede, waarin hij deze maal zeide, dat het hem aangenaam was zoo vele belangstellenden het welkom te mogen toeroepen, terwijl hij erop kon wijzen, dat van deze 21ste tentoonstelling hetzelfde getuigd mocht worden dat verleden jaar van de 20ste kon worden gezegd, namelijk: dat zij de beste tentoonstelling is die tot heden door Sint-Lucas werd gehouden. De voorzitter wees er tevens op, dat van deze tentoonstelling eene frischheid uitgaat, die aantoont dat er in SintLucas gewerkt wordt; en hij wees voorts op de aanwezigheid van een aantal schilderijen van onzen te Parijs wonenden landgenoot, den schilder Kees van Dongen, die aan de tentoonstelling een bizondere attractie geven.

Na den dank der vereeniging te hebben betuigd aan het gemeentebestuur van Amsterdam, dat Sint-Lucas weer in de gelegenheid stelde in het Stedelijk Museum te exposeeren; aan den conservator van het museum den heer C. W. H. Baard, voor diens op hoogen prijs gestelde medewerking; aan de jury en aan alle anderen die hadden bijgedragen om de tentoonstelling te doen slagen,

Van de Opening der 21ste Jaarlijksche Sint-Lucas Tentoonstelling op Zondag 30 April 1911.

1. Burgemeester Jhr. Mr. Dr. A. Roëll; 2. Mevrouw Roëll; 3. President Carl Breitenstein ; 4. Vice-President Gust van de Wall Perné ; 5. Sekretaris C. M. Qarms; 6. Penningmeester W. Heusse.

verklaarde president Breitenstein de 21ste jaarlijksche van Sint-Lucas geopend.

Daarna verspreidde het gezelschap zich over de verschillende zalen, terwijl het bestuur den burgemeester en mevrouw Roëll rondleidde langs de tentoongestelde kunstwerken.

Op verlangen van den burgemeester zijn na sluiting, op den openingsdag, drie schilderijen van Van Dongen van de tentoonstelling verwijderd. Het zijn de in den catalogus genoemde: „De Zee" (no. 129), „Naakt" (no. 135) en „La Femme en noir" (no. 142). Men leze daarover het redactioneel artikel in dit blad.

Arsène Alexandre, de bekende kunst-criticus van Le Figaro, heeft aan den in 1877 te Rotterdam (Delfshaven) geboren en sedert 1898 te Parijs wonenden Van Dongen de volgende studie gewijd in het kunstblad Co moe dia (28 Mei 1910):

Van Dongen, a, entre autres dons, celui de

mettre actuellement bien des gens en fureur. Peut-être n'a-t-il pas fait absolument :out ce qu'il fallait pour éviter cela, il a même plutöt fait le contraire. Mais il est cerlain qu'il y a en lui un original et puissant peintre. II ne se livre pas, comme certains, a ces déformations arbitraires qui ne sont ni expressives ni décoratives. Loin de la. Son dessin est ample et redondant, mais toujours suivant la logique de la forme en général, et de la forme particulière qu'il a sous les yeux. Son observation des sujets féminins paraït tout d'abord sommaire, et comme sténographique; mais on s'apergoit qu'elle est tellement juste, tellement bien résumée qu'il était inutile d'aller plus avant, et que des accents n'auraient rien ajouté a les dominantes si bien dégagées. Quant a sa couleur, elle constituera toujours pour tout autre peintre un voisinage a peu pres insoutenable, car on a rarement atteint résultats plus violents. Mais enfin cette violence même est de 1'art, puisque tout le monde, avec les mêmes procédés de larges oppositions de tons purs, ne poürrait pas 1'obtenir. Enfin il est indéniable qu'il a vraiment trouvé une note de son temps, tracé des images des êtres d'a présent, sans réminiscences, sans conventions, sans exagérations. Ce sont les femmes que nous voyons dans nos théatres, dans nos music-halls, sur nos boulevards, dans nos réunions sportives. Ce sont bien leurs allures triomphantes et leurs ames végétatives. Elles ont 1'insolence de leur beauté maquillée, de leur chair macérée, de leurs yeux mornes et brillants a la fois. Le peintre a mis dans ces sortes de dames de piqué, de cceur et de carreau pour colosses, une sorte de sympathie ironique qui est d'un philosophe et s'adresse aux philosophes. Van Dongen est le plus saisissant et le plus artiste historiën de la femme de proie et de joie que nous ayons eu depuis ToulouseLautrec

Je m'apergois que j'ai surtout parlé du peintre de la femme habillée et parée, mais ses études de nu montrant „la bestialité dans toute sa candeur" offrent les mêmes intenses qualités d'art.

Aldus wordt door een der

voornaamste Parijsche schrijvers over kunst geoordeeld.

Ten onzent, waar men de „intenses qualités d'art" van het naakt dat „la bestialité dans toute sa candeur" te zien geeft niet in de eerste plaats opmerkt, maar uitsluitend let op „la bestialité", is dat niet te waardeeren. De denkbeelden hier zijn anders dan te Parijs, en de gelegenheid om deze zijde van Van Dongen's kunst te beoordeelen is door de verwijdering der drie schilderijen een ieder ontnomen. Dat de meeningen over de waarde van het werk zéér verdeeld zijn, hebben wij in den loop van deze week overigens ruimschoots vernomen. En daar onze meening dus niet meer te

kontroleeren is aan de schilderijen zelf, zullen wij ons van kritiek onthouden. Wél willen wij echter dit zeggen, dat de zwart-gekleede liggende figuur prachtige tonen zwart had tegen fijn grijs en dat het matte der schildering niet zonder bekoring was.

Overigens kan ik mij begrijpen dat er velen zijn die niets voor het werk van Van Dongen gevoelen. Ik heb opmerkingen gehoord als deze: ,,'t is hier eenvoudig een gruwelkamer. . .!" — of: „geniaal is het, maar jammerlijk", — of: „heel knap, maar oneerlijk", — of: „talentvol, maar het talent is misbruikt". Dit bewijst tweeërlei: ten eerste dat Van Dongen wel degelijk „au sérieux" genomen wordt, wat men b.v. iemand als Jan Sluyters niet doet; en ten tweede dat het werk de menschen interesseert, want het wordt druk besproken, al is het ook niet immer in waardeerende bewoordingen. Men voelt hier te doen te hebben met iemand; met iemand die wat te zeggen heeft, — maar met den zin van zijn woorden en met zijn voordracht kan niet iedereen zich vereenigen. Vandaar de diskussie die door het werk wordt verwekt.

Kees van Dongen. — La Femme au Jabot.

Dat veel van het werk misteekend is en dat hij geen verstand heeft van anatomie, kan ik niet toegeven, daar toch Van Dongen getoond heeft een knap teekenaar te zijn: zijn medewerking aan Le Rire, 1'Assiette au Beurre, Jugend, en Simplicissimus, bewijst dat men zijn teekentalent en zijn teekenkunde internationaal waardeert. Wanneer dan ook al hier en daar een lijn anatomisch onjuist loopt, moet dit aan opzet of aan andere oorzaken worden toegeschreven. Van Dongen was trouwens indertijd op de Rotterdamsche Akademie reeds als een talentvol leerling bekend.

Maar wat ik in Van Dongen niet kan goedkeuren, is het opzettelijke dat in een deel van zijn werk is. Opzettelijk bij voorbeeld vind ik het onmogelijke schilderij van Bloemen (no. 141), dat noch pikturaal, noch dekoratief te verklaren is. Als kleurentegenstelling misschien? Maar waarom dan het karakter der bloemen zóó weggedrongen, zóó weg-geforceerd; waarom dan die vergrooting tot het grove, het bijna-leelijke?

Opzettelijk ook vind ik de figuur met het zwarte gordijn (?) voor zich heen geslagen en staande tegen een sterk gelen achtergrond: no. 138, Flora. En opzettelijk ook, opzettelijk-naïef, is m.i. het Bois de Boulogne (no. 134), omdat Van Dongen het veel beter kan dan hij hier heeft gedaan. Ook in naïveteit kan men opzettelijk zijn...

Wensch ik evenwel te waardeeren in Van Dongen's werk, dan wijs ik op het edele in het portret van zijne vrouw: dat fel blauwe gewaad met de groote witte gekringde figuren bevat een edel lichaam met een edel gelaat. Dat portret heeft iets verhevens, iets onzegbaar liefs; het be-

Kees van Dongen. — La Bottine Jaune.

Sluiten