is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 1, 1897 (1e deel) [volgno 13]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1079

en dat steeds wordt uitgebreid. Nu heeft men ook de tram naar Indrapoeri, die weldra zal worden uitgebreid naar Selimoen.

Op de vraag: Wil men nu geheel Atjeh veroveren? antwoordde de Minister natuurlijk beslist neen. Het binnenland van Atjeh is onbekend. Er zijn hoegenaamd geen bewijzen dat strijders van daar zich voegen bij de Atjehsche benden. Het zal dus volmaakt onnoodig zijn om daarheen te trekken. Wanneer wij de kust beheerschen zal vanzelf het achterland onder onzen invloed komen.

Wat de rede betreft door kolonel Van Heutsz op Koninginsverjaardag uitgesproken, waarop de heer Bahlmann aanmerking had gemaakt, deze hield den wensch in, dat bij de aanstaande troonsbestijging van Hare Majesteit het veroverde Atjeh zou kunnen aangeboden worden.

De rede werd uitgesproken in eene militaire omgeving, waarin zich altijd twijfelaars bevinden en waarin het goed kan wezen zulk eene verwachting te uiten. Een enkel woord in zulk een kring te veel gesproken, zal wel geen kwaad doen. Maar in den mond van dien man juist zijn zulke woorden geen fanfaronnades, want hij zeker behoort tot die mannen in het Indisch leger, die, meer nog dan anderen, getoond hebben, dat zij hun kracht niet zoeken in woorden, maar die toonen in daden.

En wat de woorden van den generaal Vetter betreft, ging de Minister voort, wensch ik mede te deelen dat ik dezen bij een bezoek , (niet officieel natuurlijk — daartoe had ik geen recht — maar vriendschappelijk) gevraagd heb of de woorden zooals wij die kennen uit de couranten, want officieel weet ik daarvan niets, het door hem gesprokene juist teruggeven. Ik ontving ten antwoord, dat hij gesproken heeft zonder een woord op schrift te hebben, en dat niet één vertegenwoordiger van de pers er bij aanwezig was.

De bedoeling van den generaal, volgens zijn eigen zeggen, is geweest om uiteen te zetten. dat het gebruik