is toegevoegd aan uw favorieten.

Caecilia; algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland jrg 17, 1860, no 22, 15-11-1860

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

209

eerste (Moderato, 6/8 maat) tot het onderwerp onzer beschouwing zullen maken.

Hoe gaarne wij hier een goedkeurend oordeel zouden uitspreken, is ons dit onmogelijk, omdat dit eerste deel veel bevat wat ons niet bevallen kan. Daaronder behoort in de eerste plaats het dikwijls herhalen van het volgende motief uit de eerste hoofdgedachte of periodengroep

hetwelk, voor dat wij 23 maten ver zijn , met kleine veranderingen, niet minder dan achtmaal voorkomt, viermaal voor de violoncel en even zoo vele malen voor piano. De componist grijpt hu (26e maat) een ander motief aan. Dit ondergaat evenwel hetzelfde lot. Hier echter zijn de herhalingen niet zoo storend, aangezien dit motief met een ander in 16e beweging is doorweven en in verschillende toonaarden voorkomt, zelfs op sommige plaatsen nu reeds canonisch bewerkt is. Verrassend is de wijze, waarop de componist ons naar de dominante van G-majeur leidt, waarop de tweede hoofdgedachte intreedt. Hoe goed ons deze tweede hoofdgedachte ook bevalt, stuiten wij ook hier al weder op eene herhaling der twee eerste maten. Nadat de violoncel de overigens schoone en zangrijke melodie herhaald heeft, sluit hel eerste deel, dat niet herhaald wordt, met dezelfde 16e figuur, welke diende ons naar de dominante van G-majeur te brengen.

Het tweede gedeelte begint weder in e-mineur, inzettende met het eerste hoofdmotief, anders begeleid, voert ons echter spoedig naar verwijderde toonaarden , waar wij op de plaats, waar 4 mollen staan voorgeschreven , op het motief uit de eerste hoofdgedachte stuiten, dat hier in plaats van in mineur in majeur voorkomt. Wat er de reden van is, weten wij niet, maar telkens wanneer wij eene dergelijke verandering hooren , maakt zij op ons eenen onaangenamen indruk, zelfs dan, wanneer Beethoven haar aanbrengt, zoo als in het laatste deel van het C-mol-concert en het eerste van het C-mol-trio. In de genoemde werken komt deze wijze van bewerking slechts als in het voorbijgaan voor, hier echter wordt zij van af bladz. 9 tot aan bladz. 14 bijna uitsluitend gevolgd, dringt met geweld naar E-majeur heen, waarin de eerste hoofdgedachte (vroeger in e-mineur) dan ook fortissimo optreedt en alzoo het 3e deel der eerste Satz begint.

Staan wij een oogenblik bij het tweede gedeelte stil, dan kunnen wij , afgezien van de aangebragte verandering aan het hoofdmotief der eerste hoofdgedachte, die ons mishaagt, (echter den componist niet als een fout willen of durven aanrekenen), niet genoeg het veelvuldig gebruik van sequenzen laken, zoo als dit op bladz. 11 12 en 13 plaats vindt. Zoo doende kan men een motief wel in veel toonaarden laten optreden, maar daardoor ontstaat nog geen echte (Durchführung), daargelaten dat eene zoodanige behandeling vtrmoeijend werkt en te regt voor verouderd gehouden wordt. Naar ons oordeel lijdt dit tweede gedeelte aan gemis van rust, dat is te zeggen, aan een ten minste voor een oogenblik uitrusten in den een of anderen toonaard. Zoo als de »Durchfiihrung" nu is, maakt zij op ons den indruk van een rid door dik en dun , over heggen en slooten, totdat men eindelijk behouden , doch zwaar vermoeid en suizebollende in E-majeur het hoofd ter ruste legt. Deze rust is weldadig; voor ons echter in het eerst nog pijnlijker en vermoeijender

dan de voorafgaande rid. Hier toch treedt de eerste hoofdgedachte en overgangs-periode (oorspronkelijk in mineur) thans in majeur op, daaraan sluit zich de tweede hoofdgedachte aan , het geheel sluit met de eerste hoofdgedachte vrij omkleed in E-majeur.

Resumeren wij de grieven, die wij tegen dit eerste deel der sonate hebben, dan bestaan zij in veelvuldig herhalen van sommige motieven, het dito gebruik van Sequenzen , vooral in het tweede gedeelte, terwijl ten slotte, naar onze meening, een weinig meer rust in deze Satz zeer wenschelijk zou geweest zijn. Misschien is het de bedoeling van den componist geweest aan dit gedeelte een zeer onrustig karakter te geven, maar naar onze meening heeft hij dan wel eenigzins de grenzen overschreden , welke een rustig genieten en medevoelen mogelijk maken.

Wat daarvan zij, het daaropvolgende adagio is ons na het voorafgaande dubbel welkom, niet alleen om de daarin heerschende rust, maar ook om de schoone muzikale gedachten, welke het bevat, gedachten, welke uit het hart gevloeid, tot het hart spreken. Zoo wij enkele bijzonder schoone gedeelten moesten aanwijzen , wij zouden vooral opmerkzaam maken op de wijze hoe Nicolaï ons bladz. 25 naar de eerste hoofdgedachte terugleidt, dan weder hoe die hoofdgedachte schoon begeleid door 16e figuren op de dominante van B-majeur inzet, wij zouden wijzen op het geheele eerste deel en zoo wij voortgingen ten slotte op het geheele adagio, dat door ons onder de beste voortbrengselen op het gebied der latere hollandsche muzijklitteratuur gerekend wordt.

(Wordt vervolgd).

F. Cocncn. Arioso voor Bariton-stem uit Elia op Horeb, gedicht van N. Beets. 40 Cts. Rotterdam bij W. C. de Vletter.

De Elias van Mendelssohn met zijn schoon »Es ist genug!" is reeds lang bekend; met de Elia van Goenen en dit zijn arioso heeft men onlangs kennis gemaakt. Dat men nu deze twee werken tegen elkander heeft vergeleken, is natuurlijk; dat zulks echter niet altoos aangenaam voor den heer Coenen kon wezen spreekt van zelf, maar dit is veel het gevolg van de keus van zijn onderwerp. Wij zullen noch het onderwerp noch hel »Es ist genug!" bespreken, maar ons strikt bij deze arioso bepalen en verklaren het met veel genoegen dikwerf gezongen te hebben. Ware eene wat breeder opvatting en bewerking niet onraadzaam geweest, dan toch is het ontegenzeggelijk een gevoelig zangstuk en een allergelukkigst oogenblik uit de partitie. Het ernstig streven naar de hooge oratorium-vlugt is, vooral in den melodie-bouw, zeer merkbaar. Met inspiratie en de onmisbare vaardigheid voor duchtige bewerking zal de componist zich waarschijnlijk weer spoedig op dit veld begeven. De Maatschappij tot 6evorderi?ig der Toonkunst heeft zijne proef aangemoedigd; het publiek heeft dit met bijval ondersteund , en de ondervinding zal nu stellig de kennis van den componist weer verrijkt hebben. Als herinnering aan het gehoudene Arnhemsche Muzijkfeest en als een hulde aan den componist moge deze Arioso veel aftrek hebben. De uil«ave is duidelijk. 2.

Joseph Fahrbach. Album für Flötenspielcr. Beliebten Piecen für die Flöte mit Pianoforte arrangirt. Op. 47. N°. 6. lm Lager, militairische fantasie. 15Sgr. Magdeburg, Verlag der Heinrichshofen'schen MusikalienHandlung.