is toegevoegd aan uw favorieten.

Caecilia; algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland jrg 18, 1861, no 1, 01-01-1861

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2

Met liet slreelende bewustzijn, van voor de toonkunst iets goeds tot stand gebragt te hebben , kunt gij, geachte Redacteur! op uw werk neerzien!

U valle het geluk ten deel, dit Tijdschrift te zien toenemen in bloei, nut en zegen verspreidende voor eene kunst, die ons allen lief en dierbaar is.

Voor alle dingen is daartoe echter noodig eene krachtige medewerking van allen die bekwaamheid hebben om den Redacteur te ondersteunen. Ik rigt daarom in de eerste plaats een woord tot mijne broeders in de kunst.

Gij zijt wel het meest geroepen , mede te werken tot het doel, waarnaar dit Tijdschrift naar hare krachten steeds heeft gestreefd.

Moest ik het u aantoonen, waarom wij verpligt zijn de handen ine'én te slaan , ik zou u wijzen op die loszinnige oordeelvellingen , die men zoo dikwerf in de nieuwspapieren en tijdschriften aantreft, op die ongemotiveerde afkeuringen van hoogst verdienstelijke werken , die inzonderheid na het Arnhemsche mnzijkfeest zoo brutaal zijn uitgesproken, als of een op ander gebied van kunsten of wetenschappen gemaakte naam voldoende ware of het regt gaf over muzijkwerken een oordeel uit te brengen, dat voor het minst genomen alle humaniteit uitsloot.

Of een letterkundige ons de beoordeeling zou toestaan van een werk, geschreven in eene taal waarvan wij de grammatica niet kennen , betwijfel ik.

Het is niet mijne roeping eene antikritiek te schrijven, doch allen musici roep ik het toe! Streeft er naar, dit tijdschrift te verhellen tot eene hoogte, dat een goedkeurend oordeel in 't zelve opweegt tegen alle afkeuringen , die men in andere tijdschriften vindt.

Dat dus in den nieuwen tijdkring eene innige harmonie ontsta tusschen alle kunstbeoefenaars! Weg met alle jalousie de métier; weg met die prikkelbaarheid, die ons toonkunstenaars zoo bijzonder eigen is en die zoo vaak ook tot onopregte oordeelvellingen aanleiding geeft. Laat ons allen ons eigen ik behoorlijk ontwikkelen , het verhevene doel der kunst voor oogen houden en een ieder zal op het uitgebreide terrein bij verschillende gaven zijnen werkkring vinden en zijne krachten op eene der kunst waardige wijze kunnen aanwenden.

•Ongetwijfeld handel ik in den geest van den Redacteur, wanneer ik alle toonkunstenaars, die een helder hoofd hebben en de pen weten te voeren, uitnoodig, hem ter zijde te staan.

Aan hen, die reeds vroeger hunne krachten aan dit tijdschrift wijdden, zij den warmsten dank daarvoor toegebragt en hun de zaak verder aanbevolen.

In de tweede plaats zij het mij vergund een woord te spreken tot hen, die niet voor den broode de knnst beoefenen en haar daarom niet minder liefhebben.

Ik heb het welligt bij u verbruid, en menigeen waant dat ik met een zeker air de dédain nederzie op al wat men dilettant of liefhebber noemt. Dit is eene dwaling.

Wat toch zou de kunst zijn zonder de vele dilettanten, die den kern uitmaken van zangvereenigingen, liedertafels en somtijds sieraden zijn van orchesten ? Hoe menige uitvoering zou niet tot stand zijn gekomen, had deze of gene begaafde dilettant of dilettante de partij niet op zich genomen, die door een kunstenaar niet kon bezet worden. Dit over de waarde der dilettanten in het meer openbare kunstleven. Hoe veel genoegen echter zouden wij kunstenaars in het intieme muzikale leven ontbeerd hebben, wanneer liefhebbers niet in trio's of quartetten eene partij hadden willen vervullen. Ik zwijg van de vele diensten van anderen aard, die aan de kunst worden bewezen, alleen uit liefde tot haar.

Wanneer ik dus de kunstenaars in Nederland oproep om zich als één man onder denzelfden vaan te scharen, dan doe ik dat omdat er onder u dilettanten , mannen zijn die het regt nsurpeeren en misbruiken, dat zij op ander gebied hebben verkregen ; mannen die niet alleen trachten te vernietigen wat op Nederlandsch terrein in den katsten tijd eerst begon te bloeijen , maar die zelfs de groote heroën van dun tegenwoordigen tijd dikwijls onmeedoogend veroordeelen zonder vorm van proces.

Getrouwe lezers! hondt mij mijnen langen wensch ten goede. Niet uit ijdelheid heb ik geschreven , niet omdat ik het zoo veel beter meen te weten dan anderen, maar alleen omdat zwijgen hier onvergeeflijk zou geweest zijn.

Waarde lezers en lieve lezeressen ! ge ziet wat ik hier voor de Caecilia waag, ik hoop dat ge dien moed op prijs zult stellen , al ware het maar door te zorgen dat wij veel , zeer veel gelezen worden. En wanneer dan mijne roepstem een tal van frissche mede-arbeiders zal hebben uitgelokt, dan beloof ik u plegtig , bij den eersten zonneschijn van 1862 u niet meer lastig te zullen vallen met draaiorgels en nieuwjaarswenschen.

EEN KORT WOORD OVER HETGEEN VEREISCHT WORDT VAN EEN KUNSTENAAR, DIE DE BETREKKING VAN DIRECTEUR EENER MUZ1JKSCHOOL OP ZICH NEEMT.

Bij de toenemende neiging om muzijkscholen in het leven te roepen, ten einde daarmede aan een goed stelselmatig onderwijs en eene degelijke muzikale opleiding, tegen betrekkelijk goedkoopen prijs, bevorderlijk te zijn, kan de beantwoording der bovengenoemde vraag welligt van nut wezen. Trachten wij daaraan te voldoen.

Houden wij den invloed, dien een zoodanig kunstenaar op den goeden uitslag, op het vormen of doen vormen van élèves in verschillende takken der kunst uitoefent, voor onmiskenbaar, dan wordt daartoe een door endoor kundig, theoretisch en practisch, goed wetenschappelijk gevormd kunstenaar gevorderd; iemand, die niet alleen een goed methodiek onderwijs op één of meer instrumenten, kan 't zijn aan een conservatoire, heeft genoten, maar ook met de meest beoefende instrumenten , met de daartoe gebruikte methodes der beste auteurs, vooral op de hoogte van onzen tijd, bekend is; iemand, die door zijne buitengewone bekwaamheden en veelzijdige kennis , een overwegenden invloed op de onderwijzers aan zulke school en zelfs op derzelver bestuurdcren kan uitoefenen. Oppervlakkige, eenzijdige, niet wetenschappelijk gevormde musici, die slechts met mode-stukken op hun instrument (de piano) eenigzins brilleren en de even zoo oppervlakkige en onkundige hoorders begoochelen , doch als oningewijden in de hoogere compositie op de voordragt van Beethoven's, Mendelssohn's en Schumann's, ook Bach's en anderer scheppingen schipbreuk lijden1),

i) Wij spreken hier van een pianist, als zoo een bij voorkeur voor die betrekking gevorderd wordt; en, aangezien dit ook in ons land het meest beoefende instrument is, verdient een zoodanige de voorkeur boven eenen , die zelf daarin niet tot voorbeeld verstrekken kan, tenzij dat gedeelte van onderwijs aan een ander uitstekend meester bij de muzijkschool aangesteld, wierd toevertrouwd. Aan eigenlijke conservatoires op groote schaal, waar niet alleen leerlingen uit de stad maar ook uit vreemde landen worden opgeleid of hunne studiën komen volbrengen, wordt tot directeur een groot kuustenaar gevorderd, die zelf zich niet met het geven van onderwijs, maar alleen met het controleren van alle verrigtingen aan die school behoeft bezig te houden. Een directorium hondt vooral het toeverzigt over het huishoudelijke van zulk een muzikaal instituut en staat den directeur, waar zulks gevorderd wordt, met kracht ter zijde.