is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 54, 1939, no 8

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Marineblad

Slechts zal men thans onder „vloot" moeten verstaan: „de zeemacht met haar vliegtuigen".

Deze zeer juiste conclusies van de Staatscommissie 1912 hadden bijna geleid tot den opbouw van een krachtige weermacht voor de verdediging van Nederlandsch-Indië.

De plannen lagen in 1914 gereed, een ontwerp van vlootwet zou in de zittingsperiode 1914—1915 aan de Staten-Generaal worden aangeboden. De wereldoorlog kwam echter tusschenbeide en de plannen kwamen nimmer tot uitvoering.

Na den oorlog was ook in Nederland veel verloren welvaart te herstellen, want men had ons land, tegelijk met zijn natuurlijk achterland, van de zeeën afgesloten gehouden; bovendien hoopten velen, dat een nieuwe wereldorde zou tot stand komen, welke een algemeene ontwapening zou gedoogen. Men voelde dus niets voor nieuwe groote weermachtuitgaven voor den opbouw van een vloot.

Weldra bleek echter, dat er toch iets zou moeten gebeuren, want al waren de volken in Europa voorloopig den oorlog moede, in de Pacific-zöne rommelde het onheilspellend. De verhoudingen tusschen de Vereenigde Staten en Japan waren zeer gespannen. De regeering moest de verdediging van Nederlandsch-Indië dus opnieuw onderzoeken en daarmede toch overgaan tot een wederopbouw van de geheel vervallen vloot.

Men zou nu verwachten, dat de zoo juiste conclusies van het rapport der Staatscommissie 1912 wederom de basis hadden gevormd van een nieuw vlootplan, waarin rekening zou zijn gehouden met de krijgskundige lessen van den wereldoorlog en met de nieuwe financiëele mogelijkheden van het Nederlandsche Rijk. Dit geschiedde echter niet.

De Regeering van 1920 legde het rapport der commissie 1912 rustig terzijde, benoemde een nieuwe commissie en gaf deze o.a. de volgende opdracht:

„In de koloniën, een groot eilandenrijk met een uitgebreid watergebied, kan eene kustverdediging, als in het moederland beoogd, niet tot het doel voeren. Daar komt het, naast verkenning van den vijand, er op aan zijn doordringen in den Archipel zoo lang mogelijk te vertragen, hem te beletten met een geringe macht zijn heerschappij in de Indische wateren te vestigen, zijn transportvloot naar vermogen verliezen toe te brengen en zijn verbindingen te bedreigen. Hiertoe zijn, naast onderzeebooten, mijnenleggers en vliegtuigen, ook jagers en enkele snelle lichte kruisers noodig, omdat — aangezien hier met het oog op het te bereiken doel het terrein van actie ver van elke kustversterking ligt en op steun van die zijde dus niet gerekend kan worden — de onderzeewapenen de steun boven water der laatstgenoemde oorlogsschepen niet ontberen kunnen, wil men

900