is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 54, 1939, no 9

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Marineblad

le. Onvoldoende middelen tot gezagshandhaving op het eiland Curacao.

2e. Onvoldoend maritiem prestige in en rond de Caraïbische Zee en een totaal gemis aan eerbied voor onze vlag, geboren uit jarenlange afwezigheid van een Nederlandsch oorlogsschip in de West-Indische wateren.

W^ie was voor deze toestanden verantwoordelijk?

De Gouverneur? Deze kan slechts werken met de middelen, die hij krijgt van den Minister van Koloniën. Omtrent het al dan niet zenden van koloniale troepen en politie, beslist deze minister. Wat de maritieme middelen betreft, moest de Gouverneur werken met de middelen, die hij niet kreeg van den Minister van Koloniën, die deze weer niet kreeg van den Minister van Defensie.

Is het dan wonder, dat de Gouverneur zich verschuilt achter den Minister van Koloniën, de Minister van Defensie de verantwoordelijkheid afwijst voor een gebeurtenis in het gebiedsdeel Curacao en de Minister van Koloniën zich verschuilt achter de verantwoordelijkheid der ,,Regeering", welke verder over haar mate van verantwoordelijkheid zwijgt?

Na de gebeurtenissen op de vloot in den aanvang van 1933, culmineerend in de muiterij op De Zeven Provinciën, zien wij een overeenkomstig beeld. Het geheele Kamerdebat liep feitelijk dood in een weinigvruchtdragende discussie over de vraag of de Minister van Defensie al dan niet de verantwoordelijke man was, die als zoodanig alleen de interpellaties kon beantwoorden.

Overigens behoeft men slechts tot de jongste Kamerdebatten terug te gaan, om te kunnen constateeren, dat ten aanzien van het maritiem beleid allerminst vaststaat, wie de verantwoordelijke minister is.

De Minister van Defensie spreekt over slagschepen als materieel der Staatsmarine, de Minister van Koloniën spreekt over slagschepen voor Indië en de Kamerleden zijn het kennelijk oneens over de vraag, tot welke Excellentie men zich voor het vragen van inlichtingen te wenden heeft.

Waar twee min of meer onafhankelijke instanties elk ten deele verantwoordelijk zijn voor eenzelfde onderwerp van staatsbeleid, komt dit in de praktijk veelal neer op een aansprakelijkheid, welke door geen van beiden in kritieke omstandigheden wordt erkend en ten volle, ook in haar consequenties, wordt gedragen.

De feiten van 1929 en 1933 en niet alleen deze, bewijzen, dat de ministerieele verantwoordelijkheid, één der voornaamste peilers van ons staatsgebouw, eenvoudig zoek is, zoodra de hoogste belangen van den Staat ergens ter wereld worden aangerand. Dit te moeten constateeren is een ernstige zaak, welke de aandacht van elk rechtgeaard Nederlander ten volle waard is.

1076