is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 54, 1939, no 10

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Moderne Infanterie-wapens

baanvuurmond van 75 tot 80 mm kaliber en een gewicht van ± 300 kg, deelbaar in draaglasten en van kleine afmetingen, dat een projectiel van ± 5 kg gewicht verschiet met 15% springlading, over een afstand van ongeveer 3000 m, met geringe spreiding en een vuursnelheid van ± 12 schoten per minuut.

Een voorbeeld van één der nieuwste typen van zulk een infanterievuurmond noemen we de in Duitschland ingevoerde Borsig infanteriehouwitser van 75 mm, met een gewicht van 400 kg, welke een projectiel van 4,6 kg verschiet tot 5000 m afstand.

Een andere uitvoering is de 75 mm Bofors-begleitkanone. Als krombaanwapen (zie noot 1) heeft het een gewicht, bij het stuk in stelling van 365 kg, en verschiet een projectiel van 4,5 kg over een maximum schootsafstand van 5100 m. Het laden is onder elke elevatie mogelijk; over korte afstanden kan het kanon door één of twee man getrokken worden. Met draagzeelen verplaatst men het, uit elkaar genomen, in zes draaglasten. Voor vervoer over langeren afstand is paarden- of motortractie noodig. Figuur 1 geeft een duidelijk beeld van dezen houwitser. De mortier.

Een groot bezwaar van den bovengenoemden infanterie-houwitser bleek het relatief nog groote gewicht van dit type geschut te zijn, waardoor de bewegelijkheid in het terrein betrekkelijk gering bleef.

Een andere oplossing van het vraagstuk van het infanteriegeschut werd dan ook gezocht in de ontwikkeling van den uit den wereldoorlog bekenden loopgraafmortier. Dit is een wapen van kleine afmetingen en zeer gering gewicht. Hieruit ontstond de z.g. infanteriemijnenwerper, een gladde voorlader met een kaliber van 70 a 80 mm. Deze mijnenwerpers verschieten projectielen, welke aan de achterZijde voorzien zijn van vleugels; hierdoor worden zij in hun baan gecentreerd. Niettegenstaande de geringe Vo en de niet getrokken loop, is de spreiding dan ook zeer gering. De dracht is ongeveer 2000 m. Het laden geschiedt door het projectiel eenvoudig van bovenaf in den loop te laten glijden (zie figuur 2). De vuursnelheid kan dan ook vrij groot zijn, ± 18 schoten per minuut. Een pen, onder in de schietbuis aangebracht, welke als het projectiel naar beneden glijdt het slaghoedje treft, vormt de afvuurinrichting. Door de schietbuis met behulp van een klembeugel met gradenverdeling onder verschillende hoeken te stellen, richt men het wapen. De terugstoot worden opgevangen op een zware grondplaat, waarop het wapen steunt (in figuur 2 te zien tusschen de beide bedieningsmanschappen).

~~VlV!en kan dezen vuurmond n.1. ook met een langere schietbuis monteeren; het ^non is dan als vlakbaanvuurmond bruikbaar als antitankwapen.

1205