is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 54, 1939, no 10

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■■■■■■■■■■■■■■■■■IIIIIBMIlllllllllil llillllljllll lllllll

Opperbevel en Staatsmarine

Indië als een aangelegenheid van inwendig Indisch belang, als een locale aangelegenheid. Het gaat hier, als „doel van de weermacht, toch uitsluitend om handhaving van het Nederlandsche gezag in den Archipel tegen onrust of verzet binnen de grenzen, verzekering van rust en orde, en om de vervulling van den voor het tegenwoordige vrijwel problematieken militairen plicht als lid van de Volkengemeenschap tegenover andere volken". Van een verdediging van het grondgebied tegen den aanval van een buitenlandsche mogendheid — een sfaafsaangelegenheid dus — wordt alleen in den achtsten grondslag gerept. ») Maar zoozeer was de opsteller van dit staatsstuk verstrikt m de theorie der regionale verdediging, dat het defensiebelang van den Staat niet eens meer voor hem bestond en hij de mogelijkheid veronderstelde, dat Nederlandsch-Indië in den oorlog betrokken wordt buiten het verband van den Staat om.

Toch liet de minister van koloniën dit alles op zijn verantwoording uitgaan — verklaarbaar omdat men in regeeringskringen ten aanzien van de defensie alleen maar „regionaal" dacht en men de marine dus niet anders zien kon dan regionaal optredend.

Ook de hoogste marine-leiding zelf in Indië was gevangen in de splitsings-gedachte: het was alsof men daar met het departement van marine (defensie) in Den Haag maar liefst zoo min mogelijk te maken wilde hebben. De officieren der in Indië aanwezige zeemacht beschouwden zich als koloniale ambtenaren, ambtenaren van een koloniale zeemacht; hun taak was een koloniale taak en voor de wijze, waarop zij deze taak uitoefenden, waren zij uitsluitend verantwoordelijk aan het departement van koloniën.10)

Ik beroep mij op het volgende.

Nog in 1928 had de minister van defensie Lambooy, destijds minister van oorlog, ad interim van marine, uitdrukkelijk in de Eerste Kamer verklaard, dat de commandant der zeemacht uitsluitend ondergeschikt is aan den gouverneur-generaal, zonder eenige gezagsverhouding tot den minister van marine (defensie). En ten bewijze

~~') Over dezen te beperken opzet van de grondslagen ook voor het leger hield de majoor van den generalen staf van het K.N.I.L. de heer P. G. Mantel, een lezing „De harmonie in de weermacht in Ned.-Indië in de Vereeniging ter beoefening van de Krijgswetenschap. (Orgaan der vereeniging 1937—1938.)

w) In dit verband is het merkwaardig te constateeren, dat de Indische officieren der landmacht — een instelling dus van Indië — er prijs op stellen te zijn „officieren van het Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger".

In zooverre als men hier reageert tegen de benoeming, als regel, van de Indische officieren door den gouverneur-generaal, juich ik dit verschijnsel zeer toe: boven ..koloniale" zijn zij koninklijke officieren. De eenheid der Nederlandsche staatsgedachte komt hierdoor tot uiting.

1233