is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 54, 1939, no 10

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Marineblad

„er is een departementaal onderzoek ingesteld door een hoofdambtenaar van defensie, van buitenlandsche zaken, van financiën en van koloniën omtrent de vraag, of in de West-Indische wateren een vaartuig aanwezig moest zijn," en er is ,,bij den gouverneur dadelijk op aangedrongen zijn meening over deze zaak zoo spoedig mogelijk kenbaar te maken."

Dr. Koningsberger meende zelfs, dat „ook de regeering in dit opzicht geen verwijt over gebrek aan diligentie kon treffen, want zij is er steeds op bedacht geweest, dat er iets moest gebeuren om onze nationale eer in de West op het oude peil te handhaven. " Maar intusschen heeft niemand gehandeld, en de verantwoordelijkheid was „weggeredeneerd".

Colijn, in de hierboven vermelde vergadering van de Eerste Kamer, noemde de verdediging van minister Koningsberger „een cursus in défaitisme".31)

Merkwaardig is bovendien te lezen hoe de minister destijds zijn staatsrechtelijke positie begreep:

„Toen ik optrad als minister, heb ik het dadelijk een onbehagelijk gevoel gevonden, dat die gindsche gebiedsdeelen van marinezijde zoo weinig werden bezocht. Ik ben zelf te goed bekend met de eischen, die door ons eilandenrijk worden gesteld, om niet te gevoelen, dat het hoogst wenschelijk was, dat in dien toestand verandering kwam, en in de jaren, waarin ik het bewind over de koloniën heb gevoerd, is het steeds mijn streven geweest om West-Indië en Curacao zooveel mogelijk door oorlogsschepen te doen bezoeken, een streven, waarin ik steeds de grootst mogelijke medewerking van mijn ambtgenooten en inzonderheid van mijn ambtgenoot van defensie heb gehad."

Staatsrechtelijk heeft men aan dit betoog geen houvast. De minister van koloniën, die verantwoordelijk is voor de verdediging van Indië, althans volgens zijn ambtgenoot van defensie, brengt het niet verder dan tot „onbehagelijke gevoelens". Hij steunt, als de veiligheid van dat deel van het Koninkrijk, waarvoor hij verantwoordelijk is — en daarmede dus de veiligheid van het Koninkrijk zelf — in gevaar komt, vooral op de medewerking van den minister van defensie, die, volgens eigen verklaring, evenwel weinig bemoeienis heeft met de vloot in Indië. Maar voor wiens rekening de gedragslijn dan wél komt, die de regeering gevolgd heeft tegenover Curacao met name wat de marine-voorziening betreft, is niet vastgelegd. 32)

3') Handelingen, 1928—1929, I, blz. 845.

32) Deze aangelegenheid heb ik uitvoerig besproken in „Indië en de Ministerraad", blz. 67 v.v.

1252