is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 54, 1939, no 10

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Marineblad

niet anders kon voorstellen dan „regionaal" optredende, groeide de gedachte van de gesplitste marine en de daaruit voortvloeiende gedeelde verantwoordelijkheid van twee ministerieele departementen, welker inzichten meermalen verschillen — met alle daaraan verbonden noodlottige gevolgen. Maar omdat dit proces zich in een tijd van vrede, althans van betrekkelijke rust afspeelde, sprak het niet zoozeer tot de openbare meening. Het marine-vraagstuk stond buiten de algemeene belangstelling; in den tijd toen de weermacht naar beneden gleed, had men weinig aandacht voor de vloot-aangelegenheden.

Zoo is het verklaarbaar dat de reis van den minister van defensie Deckers naar Nederlandsch-Indië plaats had zonder dat men staatsrechtelijk daaraan veel gewicht hechtte. Wat was het doel van die reis en in welke hoedanigheid ging de minister naar Indië?

Als minister van defensie had hij met de verdediging van Indië weinig of geen bemoeienis; alleen de administratieve betrekkingen, en dit waren dan nog meerendeels personeelszaken, vereischten zijn aandacht. Maar deze vergen slechts weinig van zijn tijd — aldus des ministers onmiddellijke voorganger Lambooy.

De zeggenschap van den minister van marine (defensie) over de vloot is dan ook uiterst beperkt, zagen wij hierboven. Over haar geoefendheid heeft hij niets in het midden te brengen. „Hij is uitsluitend beperkt tot administratieve betrekkingen, die nog slechts reiken tot een deel der vloot, want de schepen van de z.g. Indische militaire marine, de Inlandsche schepelingen, het personeel der reserve, de Europeesche dienstplichtigen voor de vloot en de inrichtingen aan den wal staan absoluut buiten eenige bemoeienis van den minister van marine (defensie)." 58)

Bovendien: een gezagsverhouding tusschen den minister van defensie en den commandant der zeemacht bestond en bestaat niet. Zelfs is het voorgekomen, dat zijn inmenging in beheerszaken der marine, onder koninklijke handteekening nog wel gegeven, eenvoudig ter zijde is gelegd. 59)

Ondanks dit alles heeft minister Deckers in 1932 drie maanden noodig gehad „om de instellingen der Koninklijke Marine in Indië te bezoeken."

Als minister van defensie heeft hij die reis niet kunnen ondernemen. Nu wij in een tijd van verhoogde belangstelling in en vernieuwing van de marine een herziening der verhoudingen be-

58) Handelingen, 1927—1928, I, blz. 312—313.

59) Blz. 12.

1270