is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 54, 1939, no 10

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Opperbevel en Staatsmarine

De noodzakelijke samenwerking van beide deelen der weermacht, de eenheid in hun optreden dus, mag door de eenhoofdige leiding van den gouverneur-generaal, ook al is hij geen deskundig opperbevelhebber, voldoende verzekerd worden geacht. Overigens heeit die ondeskundigheid haar groote voordeelen: zij zal den landvoogd bewaren voor een inmenging in onderdeelen van het algemeen krijgsbeleid, waaraan — ook de Indische krijgsgeschiedenis leert het — een deskundig gouverneur-generaal zich moeilijk schijnt te kunnen onttrekken. Ik noem in dit verband de namen van de landvoogden du Bus de Gisignies, van den Bosch, Rooseboom; hunne bemoeienis met de bijzonderheden van uitvoering heeft vaak geleid tot onnoodig zware verliezen.

De geschiktheid van den gouverneur-generaal om als opperbevelhebber van land- en zeemacht op te treden — en dit is het punt, waarop alles aankomt — hangt niet af van zijn bedrevenheid in de militaire of maritieme wetenschappen, maar van zijn aZcremeene bekwaamheid om goed te onderzoeken en over de voorgelegde stoffe een juist oordeel te formeeren. En deze algemeene bekwaamheid hangt wederom vooreerst af van een ernstigen wil om kennis te nemen, die bij den gouverneur-generaal vanzelf verondersteld mag worden; ten andere van het licht, dat zijn aangewezen adviseurs, de commandant der zeemacht en de legercommandant, voor hem en ten genoege van hem over de onderwerpen van behandeling laten

schijnen.64) ,11

Op grond van bovenstaande motieven komt mij de instelling van een militair opperbevel van land- en zeemacht in Nederlandsch-Indië onnoodig voor. Maar het kan zelfs een gevaar opleveren om een deskundige te benoemen tot chef der weermacht; de vakman toch zal vaak geneigd zijn het geheele defensie-apparaat öf te veel met een militair dan wel een maritiem oog te bezien — om de niet weg te cijferen kans op animositeit bij het niet „verkozen" gedeelte maar geheel buiten beschouwing te laten. Het ligt nu eenmaal in den menschelijken aard, dat de legercommandant-opperbevelhebber zijn zorgen in de eerste plaats zal wijden aan het leger, de commandant der zeemacht-opperbevelhebber aan de vloot; dat de belangen van het andere deel der weermacht daarbij allicht in het gedrang zullen komen, behoeft geen nadere toelichting.

Ook mist de deskundige, de zoogenaamde expert vaak de onbevangenheid van oordeel noodig om het geheel der militaire en maatschappelijke belangen, tegenwoordig zoo nauw met elkaar verbonden, te overzien: hij is geenszins altoos goed beheerder of bestuur-

^Tvn7naar Thorbecke, Bijdrage, waar hij spreekt over de beteekenis der koloniale en militaire specialiteiten in de volksvertegenwoordiging; blz. M v.v.

1273