is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 54, 1939, no 11

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een Vlootplan gevraagd

gewassen tegen de taak — om het uiterste aan te nemen — het op te nemen tegen operaties van vijandelijke slagschepen.

Het mag dan zelfs waar zijn, dat een enkele geslaagde onderzeebootaanval op een slagschip, dit schip nog niet direct naar den bodem der zee zal zenden, men moet 's vijands moeilijkheden niet onderschatten, wanneer hij eenige duizenden mijlen van het moederland met een zwaar beschadigd slagschip zit, dat bovendien op den weg naar huis een ware spitsroedengang zal moeten loopen.

* * *

Thans komende tot een meer concrete formuleering van het gedachte vlootplan, moge nog eens het navolgende worden vastgesteld:

De imperiale taak der Nederlandsche Staatsmarine beperkt zich geenszins tot de regionale verdediging binnen de grenzen van het Rijk tegen rechtstreeks tegen Nederlandsch gebied gerichte aanvallen. Alhoewel zij uiteraard aan deze verdediging krachtig actief zal moeten medewerken, behoort het eveneens tot haar taak in een oorlog het isoleeren van de zoo verspreid over den aardbol liggende gebiedsdeelen van ons Rijk te voorkomen en de onderlinge verbindingen en samenhang te bewaren. Slechts de (Staats)-marine zal het gewelddadig uiteenslaan van ons Rijk kunnen voorkomen. En tenslotte is het slechts de marine, welke in staat zal zijn te voorkomen, dat in een toekomstigen oorlog, Nederland c.f. Duitschland in 1914—1918 economisch wordt geblokkeerd en tot een onherroepelijke nederlaag wordt gebracht.

Het is bitter noodzakelijk, dat de marine zich van stonde af aan op deze breede imperiale basis plaatst. Het is hierin, dat zij, om welke reden dan ook, in de laatste 20 jaar zoo hopeloos in gebreke is gebleven, met als onvermijdelijk gevolg, dat het in breede kringen der landmacht in het Moederland zoowel als in Indië heerschende vakchauvinisme en de propaganda der luchtmacht-enthousiasten, hun kans kregen en deze willig uitbuitten.

Het mag wel eens ronduit gezegd worden, dat de marine een groot deel van de ellende aan zich zelf te danken heeft; niet heeft aangevoeld, dat zij in de periode van geestelijk verval van ons Volk, zélf voor haar bestaan had moeten vechten, i.p.v. zich uit gemakzucht, onverschilligheid, moedeloosheid of gebrek aan zelfvertrouwen in het beruchte heilige huisje van „silent service" terug te trekken.

Hoeveel verontschuldigingen, verklaringen e.d. men ook voor deze houding meent te mogen aanvoeren, het onmiskenbare feit valt niet weg te praten, dat slechts hierdoor aan anderen de gelegenheid werd geboden zich in de problemen onzer zeemacht te mengen, met de voor die zeemacht funeste gevolgen.

1351