is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 54, 1939, no 12

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Marineblad

den, daartoe niet alleszins voldoende als adviseur der Regeering optreden?

Samenvattende zouden wij willen zeggen:

1. Wij zijn het volkomen met S. eens, dat aan het beginsel van de eenheid der staatsmarine als een axioma moet worden vastgehouden.

2. Ook, dat de verantwoordelijkheid voor de maritieme verdediging van de gebiedsdeelen buiten Europa niet op afdoende wijze is geregeld. Waar de M. v. K. wel in theorie, maar niet in werkelijkheid deze verantwoordelijkheid geheel kan dragen, daar hij op tal van beslissende factoren, die de waarde dezer verdediging bepalen, practisch geen invloed kan uitoefenen, zou 't waarschijnlijk goed zijn vast te stellen, dat de M. v. K. en de M. v. D. gezamenlijk ten deze verantwoordelijk zijn, al zal het onmogelijk blijken de grenzen op papier af te bakenen. Het inschakelen van den Voorzitter van den Ministerraad is theoretisch natuurlijk zeer wel te verdedigen en dan ook geenszins a priori verwerpelijk, maar ook voor dezen bewindsman zal, in tal van gevallen, van het dragen van een meer dan nominale verantwoordelijkheid geen sprake kunnen zijn.

3. De positie van den C. d. Z. moge niet in een instructie zijn vast te leggen — de te verwachten moeilijkheden zijn niet zoodanig, dat men zich daarover veel zorg behoeft te maken. In deze zou m.i. de inschakeling van den Voorzitter van den Ministerraad voor de practijk geen verbetering brengen.

4. S. is er, naar mijne meening, niet in geslaagd de constructie van ,,een hoogere bestuursinstantie, welke voor de eenheid van bevel en beheer over de Marine als staatsmarine en waaraan de departementen van koloniën en defensie ondergeschikt zijn", ons voor te stellen als een in een democratisch staatsbestel practisch functionneerend overgaan.

5. De instelling van de functie van „opperbevelhebber van de zeestrijdkrachten" lijkt niet van zooveel nut, dat dit opweegt tegen de voor de hand liggende nadeelen, die het scheppen van een nieuwen tusschenschakel in de hiërarchie medebrengt.

6. En ten slotte:

Als het Nederlandsche volk een krachtige zeemacht wil, zal die er komen en zullen de bezwaren, die nu eenmaal aan historischgegroeide staatsrechtelijke verhoudingen verbonden zijn en die toch niet door regelingen op papier zijn te ondervangen, niet al te ernstig blijken.

1564