is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 54, 1939, no 12

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Marineblad

aangelegenheden, hetzij deze het Koninkrijk in zijn totaliteit, het Rijk in Europa of de overzeesche gebiedsdeelen betreffen, opdat er eenheid kome in het geheele marinebedrijf; doordat hij als departementsambtenaar of als toegevoegd aan het algemeen hoofdkwartier te veel aan locale, Nederlandsche banden ligt, is dit bij de bestaande regeling niet mogelijk.

Daarom wil ik de bestaande regeling veranderen.

Doordenkt men dit bezwaar goed, dan gevoelt men het zwakke punt in het betoog van mijn opponens al zeer scherp. Op blz. 1559 toch schrijft de oud-commandant der zeemacht:

„Wij wezen reeds op de uitgebreide bemoeienis, die de M. v. D. met het deel der vloot in Indië heeft en op de voor de hand liggende procedure, dat de M. v. K. zich op maritiem gebied om advies wendt tot den M. v. D. Op deze wijze wordt de C. S. vanzelf ingeschakeld."

Formeel is dit juist, maar meer ook niet.

Veronderstel dat het hierboven genoemde geval zich heeft voorgedaan, en dat de chef van den marinestaf zich heeft moeten onderwerpen aan de meening van den minister van defensie, hoewel hij voor zichzelf de overtuiging heeft, dat de betrokken regeling ingaat b.v. tegen het Indische belang. Terzake van deze aangelegenheid wendt nu de minister van koloniën, omdat hij voor de verdediging van Indië verantwoordelijk is, zich om advies tot den minister van defensie, die uit den aard der zaak zijn chef van den marinestaf om inlichtingen verzoekt. Wat moet nu deze autoriteit adviseeren? Hij kan niet anders mededeelen dan dat z. i. zijn chef, de minister van defensie, vanuit een algemeen standpunt, de zaak niet zuiver inziet, omdat deze de Indische belangen tekort doet. Met andere woorden: hij zet de ministers van koloniën en defensie tegen elkaar op.

De admiraal schrijft, dat „mijn bezwaar niet groot lijkt". Ik blijf mijn bezwaar onoverkomelijk achten; een regeling die dergelijke mogelijkheden laat, lijkt mij onaanvaardbaar.

Hetzelfde geldt ten aanzien van wat de auteur laat volgen ook weer op blz. 1559.

„Verder zegt S. dat soortgelijke bezwaren, zelfs in versterkte mate, zich voordoen, als de C. S. wordt toegevoegd aan het hoofdkwartier van den Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht — dus in „tijd van oorlog", om het maar kort te zeggen. Dit is mij niet duidelijk; in den vorigen oorlog was weliswaar de C. S. toegevoegd aan het hoofdkwartier, maar hij bleef zijn functie op het D. v. M. waarnemen, waardoor hij steeds in contact bleef met het beheerend orgaan. Hij zelf waardeerde dit als een practisch voordeel, van analogen aard als het voordeel, verbonden aan bevels- en beheersfuncties in één persoon

1572