is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 54, 1939, no 12

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Opperbevel en Staatsmarine

Ik geloof dat ik langs dezen weg de vijfde stelling van mijn opponens heb ontzenuwd.

De minister van defensie blijft dus zijn departement besturen —• beheeren is beter; maar in zaken van krijgsbeleid is hij met zijn ambtgenoot van koloniën „weggewerkt". Het is hetzelfde als bij het opperbevel van land- en zeemacht in Nederland; de hoogste militaire autoriteit ressorteert voor zijn krijgsbeleid, staatkundig, onder den voorzitter van den ministerraad, maar voor beheerszaken — ik heb dit elders omschreven als het tot de oorlogvoering voorbereidend beleid — blijft hij natuurlijk in nauw contact staan met de overige ministers, hoofden der betrokken departementen, en dan vooral met den minister van defensie4).

Ik hoop, dat de, den admiraal „volkomen onbegrijpelijke zinsnede" duidelijk geworden is (blz. 1561).

Ik mag Zijne Excellentie overigens verwijzen naar den strijd, dien de generaal Snijders in 1914 bij het afkondigen der mobilisatie heeft moeten voeren om te verkrijgen, dat zijn benoeming tot opperbevelhebber werd gecontrasigneerd door den toenmaals nog tijdelijken voorzitter van den ministerraad Cort van der Linden. Destijds speelden reeds alle vraagstukken, waarop de admiraal hier doelt, een rol.

Nu de laatste vraag van den schrijver — of er voor de vloot, na aanwijzing van de smaldeelen voor het moederland en de beide Indiën, nog wel een opperbevelhebber noodig is?

Ik heb dit punt zelf te berde gebracht op blz. 1274; zou dit maritiem opperbevel, suggereerde ik daar, nog wel „emplooi" hebben?

Ja, en neen. Alles hangt hier af van de ontwikkeling der feitelijke "omstandigheden. Ik kan mij het geval denken, dat de taak der vloot geheel opgaat in de regionale verdediging van de verschillende gebiedsdeelen; dan heeft inderdaad de vloot, voorzoover zij optreedt buiten het Koninkrijk, weinig emplooi. Maar evenzeer is het geval denkbaar, dat een schending van onze territoriale wateren vrijwel uitgesloten is, en dat alles aankomt op een afdoende bescherming van onze handelsverbindingen ter zee dan wel, hier of daar, op een min of meer belangrijke concentratie van vlooteenheden.

De minister van defensie doelde o.m. hierop, toen hij in zijn memorie van antwoord op het voorloopig verslag over de begrooting 1938 het volgende schreef:

„Met een passieve kustverdediging voor Nederland kan reeds daarom niet worden volstaan, omdat zoowel de burgerbevolking als

") Men leze hierbij „Het opperbevel te land en ter zee, in en buiten Europa", blz. 58 v.v.

55

1575