is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 54, 1939, no 12

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Marineblad

de weermacht — in een situatie waarbij ons grondgebied daadwerkelijk is geschonden — van een in stand houden van den aanvoer over zee van levensmiddelen en oorlogsbenoodigdheden afhankelijk is en deze aanvoer een zekere mate van bescherming zal behoeven, ook al zouden eventueele bondgenooten de zee beheerschen... Ten slotte zijn ook in Europa maritieme belangen te behartigen, zooals de convooidienst in Straat Gibraltar bewijst."

En de schout-bij-nacht Helfrich schrijft in een artikel in het Marineblad van April 1939: „Deze taak der marine (als het bewegelijke instrument van den Staat over alle zeeën der wereld) is imperiaal en moet dus gelden voor alle denkbare acties ter zee, zoowel op de wereldzeeën als in de gebiedsdeelen van het Koninkrijk, Zij moet, méér dan tijdens de opstelling der defensiegrondslagen van 1927 noodig was, rekening houden met den zelfstandigen oorlog, zonder nochtans den strijd in gemeenschap met anderen onaangeroerd te laten, omdat de ontwikkeling van een oorlog tusschen andere mogendheden, Nederland in dien oorlog kan betrekken". 5)

Daarom „mag die zeemacht — aldus de Luitenant ter zee der le klasse C. J. W. van Waning — niet worden gebonden aan een bepaald gebiedsdeel, want dit beperkt haar invloed en niemand kan zeggen, waar zij bij de veelheid van conflictsmogelijkheden in een bepaald geval zal moeten worden geconcentreerd of verspreid om haar werking het best te doen gevoelen". 6)

De taak van de vloot buiten het Koninkrijk kan daarom veel of weinig, misschien zelfs alles of niets omvatten. Men kan dus met den heer ten Broecke Hoekstra in bepaalde gevallen vragen: maar is daarvoor een opperbevelhebber noodig? Omgekeerd evenwel kan het vanzelfsprekend zijn dat de opperbevelhebber der zeestrijdkrachten voor een geconcentreerde vloot de aangewezen autoriteit is. De ontwikkeling der feitelijke omstandigheden kan niemand voorzien. Met het oog hierop moet de verhouding tusschen staatsman en vlootvoogd zóó ruim en soepel opgezet zijn, dat zij in staat is eiken toestand, met behoud van de eenheid der staatsmarine, binnen haar raam op te vangen. Wij meenen dat ons schema aan deze voorwaarde voldoet (blz. 1275).

Ik heb hiermede de laatste opmerking van den admiraal beantwoord. Ik onderschrijf ten volle zijn meening, dat „de, uit defensie-

5) „Maritiem-politieke gebeurtenissen in 1938 en de Nederlandsche Marinepolitiek", blz. 466.

e) Ik verwijs naar zijn studie „De weermacht voor het behoud van den Staat", blz. 43.

1576