is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 54, 1939, no 12

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een stukje voorgeschiedenis van de Hoogere Marine Krijgsschool

dan één lezing in beslag nemen en een meer doorgevoerde behandeling van een uitgebreid onderwerp niet mogelijk is.

De Commissie weet geen middelen aan te geven om dit bezwaar te ondervangen.

Hetzelfde bezwaar bestaat nog meer, wanneer voor min of meer geregelde cursussen een poging zou worden gewaagd.

De Commissie meent dan ook de instelling van zulke cursussen om deze reden te moeten ontraden. Zij beloven alleen succes, wanneer, zooals in groote Marines mogelijk is, officieren, die den cursus hebben te volgen, met vrijstelling van alle andere diensten daarvoor kunnen worden aangewezen. Men komt dan tot een krijgsschool in het klein „en al wilde men zich nu ook de onvermijdelijke kosten getroosten van zulk eene inrichting, waarvan, zooals reeds werd opgemerkt, de urgentie uit niets is gebleken, dan nog zou het volstrekt onmogelijk zijn, een redelijk talrijk auditorium uit het officierskorps vrij te maken.'

„Nogmaals" — zoo zegt de Commissie — „een groote Marine kan zich die weelde veroorloven — en, bij de behoefte aan een grooter aantal ook tactisch en strategisch theoretisch geschoolde vlootvoogden, verliest de maatregel daar het weeldekarakter, dat zij in kleine Marines onvermijdelijk houdt — bij ons kan aan iets dergelijks niet gedacht worden."

Eindelijk wijst de Commissie er nog op, dat ook de voorziening van onderwijskrachten bij ons bezwaarlijk zou zijn. Een ten volle geschikt persoon zou h.i. niet altijd te vinden zijn.

„Hoe dit zij, hoofdzaak blijft, dat het aanwijzen van een voldoend aantal officieren, speciaal voor het volgen in zeetactiek en strategie, nog daargelaten, dat de urgentie daarvan niet is gebleken, bij -ons onmogelijk is, en dat bij gebreke van zulk een speciale aanwijzing de cursus geen succes belooft."

De Commissie is daarom van meening, dat bij de van hooger hand te geven leiding op den thans ingeslagen weg moet worden voortgegaan. Zij is van oordeel, dat die voordracht meer vruchtdragend gemaakt kunnen worden en geeft in verband daarmede verschillende aanwijzingen.

Wanneer wij de rapporten dezer twee Commissies met elkaar vergelijken, dan is het duidelijk, dat de Hoogere Marine Krijgsschool in die vijf en twintig jaren geen stap nader tot hare verwezenlijking was gekomen.

Integendeel, de Commissie van het jaar 1887 was van gevoelen, dat eene instelling, waar aan de officieren hooger militair onderwijs wordt gegeven, „niet bepaald noodzakelijk is".

Wenschelijk achtte zij — hoewel omtrent het doel verschil van meeninq bestond — zulk een inrichting wél.

1585