is toegevoegd aan uw favorieten.

Caecilia; algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland jrg 18, 1861, no 5, 01-03-1861

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4U

waarover vroeger dikwerf gegronde klagten zijn gerezen, te voorkomen. Wij geven geene uitvoerige beoordeeling van zoo vele executiën , maar stippen alleen het saillante aan en vermelden dan uit de verrigtingen der zangklassen, die veel zuiverheid en naauwkeurigheid in hare voordragt aan den dag legden, in 't bijzonder die der driestemmige liederen van Bremer en de Lange, welke vooral ook door het gepaste en schoone der compositie voldeden. In de vioolklassen stond de uitvoering der fantaisie van Singele'e boven aan. De drie kleine violoncellisten hebben allen bewijzen van aanleg en vorderingen gegeven. De proeve van zamenspel (concertant voor vier cello's) viel zeer gelukkig uit en de^ muzikale organisatie van den kleinen virtuoos , die het stuk van Lee voordroeg, ontwikkelt zich blijkbaar meer en meer. De pianoklassen eindelijk, die, onzes inziens, in evenredigheid van de overige vakkeu op het programma wel wat ruimer bedeeld hadden mogen zijn, hebben hunne taak over het algemeen zeer voldoende vervuld. In Cramer's variatiën, Czerny's Rondo en Hummel's sonate heerschte loffelijke naauwkeurigheid, netheid en nuancering, en de Egmont-oaxerlure maakte, eenige gejaagdheid op enkele punten uitgezonderd , ten slotte een gelukkig effect.

Bij de prijsuitdeeling werd door den voorzitter der afdeeling een gepast woord van dank aan de onderwijzers, van opwekking aan de leerlingen en van aanbeveling aan het publiek gerigt, welk laatste, uit deleden der afdeeling, de ouders der leerlingen en verschillende genoodigden bestaande, in grooteu getale was opgekomen en de verrigtingen met herhaalde en ondubbelzinnige bewijzen van goedkeuring beantwoordde.

Eriiditio Musica.

Derde concert, den 24. Januarij 1861.

Programma. Eerste afdeeling. Symphonie (N°. 8, F-dur), van L. van Beethoven. Aria uit Orplieus, van C. von Gluck, gezongen door mejufvrouw Wilhelmine von Kettler, uit Londen. Concert (D-mol), voor de viool, van Ferd. David, voorgedragen door den heer B e c k e r, uit Straatsburg. Tweede afdeeling. Erklarung, concertstuk voor orchest, naar Heinr. Heinze's gedicht, van Rich. Hol. (Nieuw, onder leiding van den componist). Recitatief en aria (Eccomi alfine in Babilonia) uit Semiramis, van G. Rossini, gezongen door mej. W. von Kettler. Hongaarsche thema's met variatiën, voor de viool, van H. W. Ernst, voorgedragen door den heer J. Beek er. Liederen met pianoforte-begeleiding: a. Da lieg ich unter den Baumen, van F. Mendelssohn Bartholdy; b. Das Veilclien, van Baumgartner, gezongen door mejufvr. W. von Kettler. Ouverture voor Racine's treurspel Athalia , van F. Mendelssohn Bartholdy.

De heer Hol heeft in het vorig nummer van dit Tijdschrift (blz. 39) reeds kort en krachtig gekarakteriseerd en daardoor aan referent, die het slechts gedeeltelijk heeft bijgewoond, werkelijk eene dienst bewezen. Over de talenten der solisten, die in de Caecilia reeds van onderscheidene zijden zijn besproken , kan thans de bespreking kort zijn. De stem der zangeres heeft kracht en omvang genoeg, maar minder frischheid en beschaving. Hare voordragt is niet zeer gekuischt, maar de opvatting was doorgaande goed, ook in de aria uit Orpheus, waarvan echter het effect door hare zeer gebrekkige orchestpartijen werd benadeeld. In de coloratuur-aria van

Rossini waren de belangrijke naoeijelijkhederi boven hare kracht. De liederen daarentegen werden uitmuntend voorgedragen en lokter. hare terugroeping en de toegift van een lied van Mendelssohn uit, door de zangeres zelve begeleid.

De heer Beek er bewees zich in het belangwekkende en onderhoudende concert van David een zeer degelijk kunstenaar en in de variatiën van Ernst een zoo bekwaam virtuoos, dat hij het publiek in waarheid electriseerde, en na zijne terugroeping de geestdrift nog hooger opvoerde door de toegift der variatiën van Paganini op het thema: Mich fliehen alle Freuden. Wij verlangen zeer dezen violist spoedig nogmaals te hooren.

Wij voegen niets bij den lof, die door den heer Hol aan de orchest-uitvoeringen reeds werd toegebragt. Want vooral in de appreciatie der vertolking van zijn eigen kunstwerk, stond hij zeker meer dan iemand op een wettig grondgebied; maar wat zijne bescheidenheid natuurlijk terughield, willen wij , die tot ons leedwezen dat werk niet hoorden, trachten aan te vullen, door het overnemen van een bevoegd oordeel, waaraan wij ook hierboven reeds een en ander ontleenden. De beoordeelaar in de (oude) Rotterdamsehe Courant zegt van Hol's Erklarung het volgende:

«Dit kunstwerk zou ongetwijfeld verdienen eenigzins breeder besproken te worden; tot eene dieper indringende analyse zou echter eene nadere beschouwing der parlitie en het bijwonen van meerdere uitvoeringen noodig zijn. Wij moeten ons dus bepalen tot het constateren van den hoofdindruk, dien het op ons heeft gemaakt, en wij aarzelen niet dien allezins gunstig te noemen. Zoo de gedachten al niet overal absoluut oorspronkelijk mogen zijn — zware eisch in onzen tijd! — zij munten uit door frischheid, eigenaardigheid en verhevenheid van karakter. Wat den vorm betreft, behoort dit werk tot de dusgenaamde programma-muzijk, die, den gewonen sonate- en rondo-vorm verlatende, zich onderwerpt aan de gedachte vau het gedicht — hier Heinrich Heine's Er. klarung — dat de componist zich tot basis heeft gekozen. Terwijl hij waarschijnlijk door de nieuwe Duitsche toonwerken en vooral door de symphonischc Dichtungen van Liszt op het denkbeeld is gebragt van zijn bescheiden getiteld «concertstuk," heeft hij gelukkig do gevaarlijke klip vermeden, waarop dergelijke werken dikwerf stranden , namelijk van door het zoeken naar nieuwe vormen tot geheele vormeloosheid en het overschrijden der muzikale grenzen te vervallen. De instrumentatie is wèlklinkend en dikwijls boeijend; men merkt er een aantal fraaije effecten der blaasinstrumenten in op, die, zoo al niet overal oorspronkelijk, toch goed aangebragt en goed gemotiveerd zijn. De gemoedsstemming des dichters, die in de avondschemering aan het strand zit en den naam zijner geliefde in het zand schrijft, is zeer gelukkig weergegeven in een inleidend andante. Doch de golven wisschen den naam uit en het stuk verheft zich tot een levendig allegro, dat eenigermale aan Schubert herinnert. Onstuimiger, wilder wordt het in het gemoed des dichters , worden wind cn meer, en steeds phantastischer ook het beeld van den toondichter, dat streeft naar de uitdrukking van de groolsche gedachte des dichters, die met sterke hand den hoogsten Den uit Noorwcgen's bosschen uitrukt, dien doopt in den gloeijenden krater van den Etna, om met deze vurige reuzenpen den naam van Agnes aan het gewelf des hemels te schrijven. De wilde uitspatting van des dichters phantasie is door den componist treffend gesymboliseerd door prachtige effecten der koperen instrumenten. Jubelend verheft zich zijne.Jtnelodie, gedragen door de steeds golvende berceging der ">■