is toegevoegd aan je favorieten.

Caecilia; algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland jrg 18, 1861, no 7, 01-04-1861

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

66

lijke met het kosmisch*, dan ontstaat de klassiciteit. Overeenkomstig daarmede gevoelden en schiepen de meesters van Bach tot Beethoven. Deze tijd was voorbij. Het aesthetisch genot verlangt namelijk eenen inhoud, die eene tweeledige behoefte bevredigen moet, een onmiddelijk aesthetische en een historische eisch. Gene betreft de onmiddelijke vlugt van bet verlangen in het absolute en werken van eene zoo hooge klassiciteit als de zoo even besprokene zullen nooit hunne werking missen. De aesthetische opgewondenheid is daarin van eene algemeen objectieve natuur. Daarnaast wordt echter de eisch der historische ontwikkeling evenzoo verheven , de aesthetische behoefte verlangt naar iets nieuws, zij wil naast het objectief absolute ook in het psychologische subjectivismus werkzaam zijn. Het klassieke verleden staat op een verheven afstand, het tegenwoordige in eene bekoorlijke, aanlokkelijke nabijheid. De aesthetische behoefte wil ook dil gedeelte harer kracht harmonisch werkzaam zien en zij verdeelt hare eischen in absolute en historische. Eene navolging van klassieke voorgangers zou slechts onder bijzonder gelukkige omstandigheden aan de behoeften des tijds beantwoord hebben , eenen Mendelssohn alleen was het vergund om, hetgeen tot nu toe nog niet gezegd en niet gevoeld was, in den klassieken vorm uit te spreken. Het egoïsme had zich reeds te veel in de donkere schuilhoeken der ziel (die rusten op eene volkomen scheiding van het mikrokosmische van het niakrokosmische) verdiept, dan dat eene navolging van het verleden hem zon vergenoegd hebben. Hoezeer het geven van eenen vorm ook de onmiddelijke bekwaamheid van den kunstenaar bewijst, zoo behaagt toch op het eerste oogenblik niet de vorm, maar de stof van het kunstwerk, en de laatste heeft in de oude vormen niets aanlokkelijks meer voor de, bijzondere begeerten van het egoïsme. Het gevoel wilde niet altijd opgaan in den absoluten kosmos, het wilde in zich zelve een dieper genoegen vinden.

Chopin's verdienste nu is deze: dat hij de muzikale stof uitbreidt. Hij teekent momenten van het gemoedsleven, die op eene diepte van anderen aard wijzen, zoo als zij in de naastbij zijnde vormen niet begrepen zijn. Naauwkenrig genomen, zijn het wel is waar slechts bevalligheden, enkele momenten die hij nieuw toevoegt, zij berusten echter niet alleen op het zinnelijke , zoo als bij Liszt, hoewel ook hierin Chopin veel geleverd heeft, dat opgang maakte, maar in de geestige factoren der muzijk, harmonie, melodie, rhythmiek en het naaste gevolg van deze elementen is de eigenaardigheid van hare werking op de phantasie. Zij verdiepen de laatste zóó zeer in de innerlijke geheimen der dweeperij, dat een geheel nieuwe manier van uitdrukking te voorschijn treedt. Grondtrek is de melancholie, maar op een gelaat van zoo veel diepte, geest en aristocratische fijnheid, als het tot nu toe nergens te voorschijn gelreden was. Heeft nu het moment van uitdrukking de overhand, dan is het duidelijk, dat Chopin's stijl vooreerst met den ouden vorm breken moest, omdat hij niet met den inhoud vermeld is, die daarin zijn regt verlangt. De zijne is van eene veel subjectiever, egoïstischer natuur. Daarom heeft bij hem de kleinere soort van vorm de bovenhand, étude, nocturno, valse, mazurka, scherzo, ballade, treurmarsch, enz.

Groote vormen behandelt hij slechts gepast in zijne twee concerten, overigens gelukt de poging tot dezen vorm niet volkomen, de sonaten en zelfs balladen zijn zonder stijl en hebben hare bevalligheid meer in bijzonderheden dan in het geheel. Deze bevalligheid kan hem, die met Chopin in de diepte van het e'goïsme afdaalt en van het algemeen obsolute losmaakt, zóó magtig

toeschijnen, dat zich de klassiciteit daarnaast als triviaal voordoet, daar in de laatste de gedachten zich van het begin af in een met het geheel verzoend licht voordoen en egoïstische afzondering ontwijken moeten. Het moge voor toekomstige genialiteit bewaard zijn, de nieuw verkregen elementen tot een groot geheel te vormen en ten tweede male de verzoening van het subjectieve tot stand te brengen.

Mendelssohn daarentegen is tegenover Chopin eene nabloem der klassiciteit. De geest van het verleden verjongt zich nog eenmaal, om zich in de schoonheid van vorm te ontwikkelen.

Mendelssohn had weder het geheel in het oog en de momentanele uitdrukking treedt derhalve niet in die diepte te voorschijn als bij Chopin. Deze beide deelen zijn eenmaal bestemd , elkander uit te sluiten; de harmonie van het geheel laat het opkomen der bijzondere werking niet toe en het te voorschijn treden van de laatste stremt de eenheid van het geheel. Men kan echter niet zeggen, dat Meudelssohn's bijzondere elFeeten ook geene onbeschrijfelijke bevalligheid hebben, men denke slechts aan het tweede thema van het D-mol-trio, maar toch ligt in het geheele karakter van zijne meest inhoudrijke zinnen een streven tot ontwikkeling, tot verdere vorming; in het bevalligste thema van een Lied ohne Worte is een trek, om iets afgeronds, iets dat bekoorlijk afgewerkt is, uit zich te ontwikkelen , en waar de toehoorder ook werkelijk zou kunnen vertoeven, om in rustig genieten eene bijzondere gedachte te volgen , leidt Mendelssohn altijd het genot op den weg van het denken en tot het bewonderen der bekwame bewerking en verdere vorming. Dit is de reine schoonheid van vorm , door wier heldere afgerondheid Mendelssohn onder de grootste classieken te tellen is ; ja, hij staat gedeeltelijk boven een niet onaanzienlijk getal hunner scheppingen. Men ziet echter juist aan Mendelssohn , dat de vorm niet alleen ih zijne volmaking het schoone uitput, want juist zijne onberispelijke helderheid is de oorzaak en grond , waarom niet eene idee door groolschheid doordringt. Of men kan ook omgekeerd uit een gebrek aan grootheid van gedachten de gladheid Van vorm verklaarbaar vinden. En dit stelt Mendelssohn ten opzigte van de digtheid zijner stof weder dieper dan de groote voorgangers. De inhoud zijner gedachten is dweepende innigheid, frissche romantiek, vrouwelijk gevoel; de vorm schijnt zich in zijne eigene helderheid behaagziek te spiegelen en verjongt zich werkelijk daarin de klassiciteit, zoo is het slechts in dien zin op te vatten, als zich de eerwaardigheid der oude beschouwing met den geest der moderniteit verzoenen laat. De ouderwetsche adem ontbreekt, de natuurlijke wasdom van den stijl wordt gemist, eene opgewekte lustigheid, eene prikkelbaarheid van het gevoel drijft de phantasie in eene wereld van elfenachtige, zachtaardige beelden vol van liefdesromantiek en bevallige coquetterie en kleurt dikwijls met een zachten adem ook ernstige onderwerpen , die eigenlijk in een eerwaardiger duister en in eene eentoonigheid van kleur zouden willen blijven. De Mendelssohnsche pianoliteratuur overeenkomstig met deze karakteristiek vordert voor den zingenden aanslag, even als voor de Oneindig fijn vloeijende vlugheid, eene zeer hooge ontwikkeling. Maar de geniale schepper zelf echler behoort onder de virtuozen van den eersten rang. Met allen luister der techniek toegerust. gebruikt hij deze slechts ten behoeve van den edelsten rijkdom aan inhoud. In de reproductie der klassieken is hij de meest objectieve vertolker van den geheel nieuwen tijd geweest, en de kunst der improvisatie bereikt in hem eene hoogte, zijnen voorgangers waardig.

{Vervolg en slot hierna).