is toegevoegd aan je favorieten.

Caecilia; algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland jrg 18, 1861, no 7, 01-04-1861

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

68

Deze muzijk geeft iets meer dan de titel belooft. Heel groot of heel diep doordacht zijn de walsen met ; bepaalde bravoure hebben zij ook niet, evenmin wordt voor de uitvoering de meesterhand verlangd. Maar toch ook, zoo als het anders in den regel met de kleine walsjes het geval is, zijn ze niet zoo heel kort, niet zoo oppervlakkig, niet zoo heel gemakkelijk en behoeven ze wel degelijk geoefende vingers. De componist heeft dus I met den titel geen hoogen toon aangeslagen , zulks pleit reeds voor hem, en gaarne voegen wij daarbij dat in deze compositie veel opwekkends, naïfs en onderhoudends ligt. Deze taak is goed en aanbevelingswaardig volbragt. De componist kieze thans voor zijn vijfde opus een degelijker onderwerp, waarin hij zich ruimer kan ontwikkelen. Wij hopen den heer Hempel dus spoedig ook op een ander kunstterrein te ontmoeten en door zijne hoogere opvattingen den verschuldigden lof te mogen toebrengen. De dilettant-piano-spelers en vooral de pianospeelsters koopen dit werk. Bij Hünten, Burgmuller en dergelijken zullen zij dit onderwerp niet beter behandeld vinden. Het exemplaar is goed, vooral is de titel met

zorg behandeld.

BIISWEIiJLiAafDSClIB BEBIGTEU.

-OP li.»

AMSTERDAM. Féllx Meritis.

Negende concert, op Vrijdag den 15. Maart 1861. Mevrouw Rosa de Vries (zang), de heer Alfred Holmes (viool).

Programma. Eerste deel. Ouverture Man/red, van Schumann. Aria uit de opera Leonora, van Mercadante. Solo voor viool. Erklarung, concertstuk voor groot orchest, van Richard Hol. Tweede deel. Ouverture Esmont, en aria Ah perfide! van L. van Beethoven. Barcarolle voor viool, van Spohr. Recitatief, andante en allegro uit de Somnambula, van^Bellini. Symphonie A-dur, N°. 7, van L. van Beethoven. Door afwezigheid hadden wij het Caecilia-concerl van den vorigen dag 14 Maart verzuimd en dus (naar wij vernemen) een uitstekend kunstgenot gemist; het deed ons dus te meer genoegen, in dit negende Félix-concerl eenige vergoeding te ontvangen.

De zang van mev. Rosa de Vries heeft ons zeer bevallen. Zij heeft de drie verschillende nummers van het programma en vooral de aria van v. Beethoven, uitstekend gezongen. Een weinig minder ruwheid in het aanzetten van sommige noten (eene eigenschap die men wel meer bij opera-zangeressen aantreft) zou althans in de concertzaal te wenschen zijn; wij verheugden ons zeer over de levendige toejuichingen, die haar ten deel vielen.

De heer Alfred Holmes, ons uit een der vroegere concerten van dit saizoen bekend, speelde in plaats van zijn op het programma beloofde E-mol-concert een stuk van Bach en wel de Chaconne, indien wij ons niet bedriegen. Grooten indruk maakte de uitvoering van dit stuk en van de compositie van Spohr noch op ons, noch op het publiek. De heer Holmes is een verdienstelijk violist, maar kan slechts zeer matige wenschen bevredigen.

Belangrijker daarentegen waren de orchest-uitvoeringen en wel inzonderheid de hier nog niet gehoorde compositièn van Schumann en Hol.

De ü/aw/red-ouverture vereischt naar onze meening op sommige plaatsen eene veel fijner geschakeerde, op andere eene veel krachtiger ingrijpende uitvoering dan haar nu ten deel viel. Bovendien is het duistere karakter van dit werk en de onbekendheid van vele toehoorders met Bvron's gedicht, niet geschikt om hen dadelijk in eene gunstige stemming te brengen. Wij zouden dus aan eene andere plaats op het programma voor dit werk de voorkeur hebben gegeven. Dat wij het echter, als een der voortreffelijkste orchestwerken van Schumann eene blijvende plaats op onze concert programma's toewenschen, spreekt van zelf. Bevredigde ons de vooral in het eerste deel wat slordige uitvoering van Beethoven"* symphonie niet geheel, zoo moeteu wij de uitvoering der Egmondouverture als ook de schoone begeleiding der verschillende zangnummers prijzen. ....

Met gespannen verwachting hadden wij de uitvoering te eemoet gezien van het in het vorige Caecilia-riummet zoo zeer geprezen concertstuk voor orchest van onzen stadgenoot den heer Hol. De uitgebreide en gunst.ge beoordeeling, daaraan te beurt gevallen, kan ons kort doen zijn, zonder onregtvaardig te wezen. Wij verklaren echter gaarne, dat ook op ons deze compositie eenen zeer gunstigen indruk heeft gemaakt. Groote frischheid van gedachten, voortreffelijke behandeling van alle orchestmiddelen vormen zich in dit werk tot een geheel, vol poëzü en gloed. Zonder tot abnormiteiten zijne toevlugt te nemen, heeft de bekwame componist het schoone gedicht van Heinrich Heine in toonen weêrgegeven en dus een toonwerk gecomponeerd, dat naar onze zienswijze, ook zonder het bijgedrukte gedicht een schoonen indruk moet maken.

De uitvoering was onder de leiding van den componist zeer goed. Dat was waarlijk eene geïnspireerde orchest-uitvoering, waaraan weekheid en kracht, warmte en gloed niet ontbraken.

Het publick riep den componist met warmte terug, ook wij wenschen hem geluk met dit werk!

Concert der maatschappij Caecllia, op 14 Maart 1861.

De Redactie van dit Tijdschrift vraagt mij een paar regels over dit concert. Weigeren mag en wil ik het niet omdat, zoo als ik het reeds bij eene andere gelegenheid heb uitgesproken, dit 42e concert even zoo waardig is als vele vroegere, om met gulden letteren m de notulen der maatschappij te worden opgeteekend. Men leze slechts het programma , Eerste deel. Ouverture Meeresslille und glückliche Fahrt, van F. Mendelssohn Bartholdy. Symphonie in D-dur (op. 87), van Vv A Mozart, a. Adagio, allegro; b. Andante; c. Finale (presto). Feestmarsch bij het Göthe-Jubile, van F. Liszt. Tweede deel Symphonie fantastique: Episode de la vie dun Artiste (op. 14), vnn H. Berlioz; a. Rêvenes; — Passions • * Un bal; c. Scène aux champs; d. Marche au supplice; e. Songe d'une nuit du Sabbat. Groote ouverture der opera Leonore, van L. van Beethoven.

Op dit programma heeft referent niets aan te merken, als dat het zijns inziens wel wat groot was, een nadeel zoowel voor uitvoerders als toehoorders. Over de nummers 1 2 en 5 als compositie kan ik wel zwijgen, daar ik' niet wil trachten , het vele schoone, dat over deze klassieke werken geschreven is, te overvleugelen. Wie ze kent, behoeft het niet van mij te vernemen, en wie ze niet kent, zal ik door het dorre woord niet bewijzen, dat de ouverture van Mendelssohn eene voortreffelijke en hoogst muzikale toonschildermg is; dat de