is toegevoegd aan uw favorieten.

Caecilia; algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland jrg 18, 1861, no 8, 15-04-1861

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

78

le sujet de P Adagio. A la fin, 1'un des patres reprend le ranz des vaches; 1'autre ne répond plus. . . . Bruit éloigné de tonnerre .... solitude .... silence ....

Quatrième Partie.

Marche au supplice. Ayant acquis la ccrlitude que son amour est méconnu , 1'artiste s'empoisonne avec de 1'opium. La dose du narcotique, trop faible pour lui donner la mort, le plonge dans un sommeil accompagné des plus horribles visions. II rêve qu'il a tué celle qu'il est condamné, conduit au supplice, et qu'il assisle a sa propre exécution. Le cortége s'avance aux sons d'une marche, tantöt sombre et farouche, tantót brillante et solonnelle, dans laquelle un bruit sourd de pas graves succède sans transitian aux éclats les plus bruyans. A la fin de la marche, les quatre premières mesures de l'ide'e fixe reparaissent comme une dernière pensee d'amour interrompue par le coup fatal.

Cinquième Partie. Songe d'une nuit du Sabbat. II se voit au Sabbat, au milieu d'une troupe affreuse d'ombres, de sorciers, de monstres de toute espèce, réunis pour ses funérailles. Brnits étranges, gémissemens, éclats de rire, cris lontains auxquels d'autres cris semblent répondre. La mélodie aimée reparait encore, mais elle a perdu son caractère de noblesse et de timidité; ce n'est plus qu'nn air de danse ignoble, trivial et gro-

tesque; c'est elle qui vient au Sabbat Rugissement de joie

a son arrivée.. . . Elle se mêle a 1'orgie diabolique Glas

funèbre, parodie burlesque du Dies irae (.*) et Monde du Sabbat. La ronde du Sabbat et le Dies irae ensemble.

(Overgenomen uit de Partituur).

De beoordeeling van dit programma laat ik aan ieder lezer over. Dat het laatste deel, vooral door de verschijning zijner geliefde in dien Sabbath-nacht, kwetsend voor het schoonheidsgevoel is en in zijn geheel een zeer onbevredigend slot geeft; alleen een Franschman zou het tegen kunnen spreken. Zulke scenen behooren op het théatre de la Porte St. Martin of in een ballet te huis. Berlioz dit programma volgende, (het is eene episode uit zijn eigen leven), handelde daarin als een echt Franschman en schreef voor zijne landgenoolen. Als muzikaal product heeft dit eerstelingwerk van Berlioz in onze oogen groote waarde, door de oorspronkelijkheid der gedachten, voortreffelijke instrumentatie, die wel in uiterlijkheden vervalt, doch overal het beoogde doel treft. Het is in één woord nieuw! — Waarde confraters! de hand op het hart, zegt dat ook iets?

»Maar zulke bombast," heb ik hooren zeggen. — Is dan de inleiding en ook het eerste allegro zoo onzamenhangend, of is hier op eenige hoeken na, niet dezelfde grondvorm, waarin alle symphonie-schrijvers dit deel hebben gegoten ?

«Maar dan die wals als tweede deel!"

Heeft dan dat motief in A-dur niet even zoo veel bevalligheid als zoo menig menuet in andere symphoniën? Of zou men dit deel met eene ordinaire wals kunnen vergelijken ?

Of vindt men in het derde deel, trots eenige monotonie in het hoofdmotief, niet zeer schoone plaatsen? Schumann zegt er van, dat zelfs Beethoven die niet met meer vlijt had kunnen bewerken. Moge men de in de verte rollende donder, door vier pauken nagebootst, voor onmuzikaal houden, voor een uiterlijk klankeffect; zeker is het, dat ik het nimmer natuurlijker heb hooren nabootsen eu het hier den indruk van dit landelijk tooneel zeer verhoogt.

Het vierde deel, Marche au supplice, staat, wat karakter, vinding en bewerking aangaat, zeer hoog in mijne schatting aangeschreven.

(*) Hymne chanté dans les cérémonies funèbres de I'Église Catholique.

Van het laatste deel laat zich zonder kennis der partituur niet veel zeggen. In overeenstemming met de poëtische idee of liever heigedachte gaat het er al zeer bont en duivelachtig in toe. Waar is het echter dat dit stuk zijns gelijken zoekt. Het gebruik der twee klokken tonica en dominant heeft velen in dit deel geërgerd. Een klok is geen inuzijk-instrument, beweren de meesten. Maar triangel, bekken, groote trom en tamtam, alle instrumenten door groote mannen op zijn tijd aangewend, zijn die dan van muzikaler natuur? Of ligt het wezen der kunst niet boven zulke uiterlijkheden? De poëtische stof toch bepaalt de middelen. Beethoven gebruikte ook in zijne Schlachtsymphonie verschillende trommels, ja versmaadde zelfs het buskruid niet.

Na het voorafgaande zullen sommigen het er voorhouden, dat ik een onbepaald vereerder van dit werk ben. Zij , die echter goed tusschen de regels weten te lezen , zullen begrijpen dat ik het oorspronkelijke, het niet alledaagsche, dat op ontelbare plaatsen in dit werk voorkomt, hoog waardeer, zonder daarom blind le zijn voor datgene , wat de grenzen der instrumcntaal-muzijk overschrijdt.

Ik heb echler reeds te veel van uw geduld gevergd , lezers. Wie er meer van wenscht te weten , schafïe zich de partituur aan of leze Schumann's Gesammelte Schrifte, 1. Band, pag. 118. Daar vindt men eene breedvoerige beoordeeling, die in allen deele met mijne overtuiging overeenstemt.

De uitvoering van dit hoogst moeijelijke muzijkwerk leverde het bewijs op, welke voortreffelijke krachten de maatschappij Caecilia bezit. Meest overal heerschte duidelijkheid en zekerheid. De verdienste van den heer B u n t e kan niet te hoog worden aangeschreven. Hem komt de eer toe, ons een werk te hebben leeren kennen, dat, hoe men er over oordeele, eene gewigtige plaats in de rnuzijkliteratuur bekleedt en alleen door het Caeciliaorchest waardig kon worden uitgevoerd.

21 Maart 1861. Riciiard Hol.

PS. Even vóór het afzenden dezer herinneren wij ons dat de symphonie van Berlioz op den 7. December 1855 in Fèlix Meritis, doch op zeer onvolmaakte wijze, werd uitgevoerd. De ééne repetitie voor dit werk was natuurlijk onvoldoende tot eene goede uitvoering.

ROTTERDAM.

Maatschappij tot bevordering der Toonkunst. Huishoudelijk Muzijkfeest, 28 Februarij 1861, in de zaal der Maatschappij ■ tot nul van 't Algemeen.

Programma. Eerste afdeeling. Albrecht Beiling, (dramatisch fragment), gedicht van Dr. J. P. Heije, muzijk van Frans Coenen, (door de Maatschappij bekroond). Loreley, gedicht van Wolfgang Muller vou Königswinter, muzijk van Ferdinand Hiller. Tweede afdeeling. Lobgesang > Sytnphonie-cantate, op woorden der H. vS., muzijk van Félix Mendelssohn Bartholdy.

Een fraai en belangwekkend programma; eene waardige uitvoering. De Rotterdamsche afdeeling heeft weder getoond hare verpligting te beseffen en het voorbeeld gegeven in het ten gehoore brengen van het kort geleden door de Maatschappij bekroonde werk van een der ijverigste Nederlandsche componisten. De heer Coenen heeft daarin op nieuw blijken geleverd van zijne degelijke