is toegevoegd aan uw favorieten.

Caecilia; algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland jrg 18, 1861, no 13, 01-07-1861

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

126

wijze te vervullen. Alles greep goed in elkander. De stemmen klonken frisch of er nog niels voorgevallen was. Zelfs in het N°. 5: «Hoor! de stormwind verheft zich, daar dondert d' orkaan," hebben wij vooral de sopranen bewonderd , daar deze partij door de eenigzins hooge ligging , moeijelijk is uit te voeren. Dat duidelijke schoone tekstuitspraak zelfs bij koorgezang mogelijk is, zal niemand betwijfelen. Dat deze hier en zelfs bij een enkel solist nog te wenschen overliet, willen wij aanstippen , om vooral de aandacht van een ieder op dit in den zang zoo gewigtige punt te vestigen.

Behalve het schoone quartet N". 7 bevat de Elia slechts twee eigenlijke solopartijen voor alt en bariton. De eerste heeft de verklarende recitatieven te zingen, op zich zelf reeds eene moeijelijke opgave, die hier door sommige intonaties nog vermeerderd wordt. De bariton beeft het dankbaarder arioso : «Het is genoeg o God en Heere!" Beide solo's werden door de bekende Zeeuwsche dilettanten vervuld, en wij gelooven dat de componist zoowel als het publiek redenen had voldaan te zijn. De begaafde dame , die in het oratorium ook de alt-soli vervuld had en voor een deel door eene zeer vergeeflijke beschroomdheid ons aanleiding had gegeven tot eene kleine opmerking, was blijkbaar geheel van de vreeze bevrijd, die het gezigt van zoo vele honderd aanhoorenden , zelfs bij vele kunstenaren immer veroorzaakt, en die men in de tooneelwercld »Lampenfieber" noemt. In de concertwereld zou ik aan de benaming solisten-koorts de voorkeur geven. Die solisten-koorts nu, was geheel geweken. Daardoor ontwikkelde zich hare stem zeer schoon. Alles was zuiver, muzikaal zeker en sommige plaatsen waren zelfs voortreffelijk van uitdrukking.

Ook de in en buiten Zeeland gunstig bekende kunstminnaar uit Zierikzee heeft zich zeer goed van zijne taak gekweten. Hij bezit een schoon geluid en droeg het bovengenoemde arioso N°. 3 zeer goed voor. Wat minder weekheid zou zoo niet aan de muzijk, toch stellig betere opvatting aan den tekst gegeven hebben.

Het quartet: »Ja, de Heer is reglvaardig en groot in zijne kracht" werd zeer goed doch niet geheel met die klankwerking gezongen, waarvoor het vatbaar is.

Aan het slot van dit voortreffelijk uitgevoerde werk waren liefelijke bloemen , schitterende fanfaren en luidruchtig handgeklap de geurige en schelklinkende bewijzen dat Frans Coencn met zijnen Elia op Horeb alhier eenen zeer gunstigen indruk heeft te weeg gebragt en door zijne innemende persoonlijkheid veler sympathie heeft verworven.

Nu betrad de bekwame feestdireeteur, die zich in Coenïn's werk regt kunstbroeder-lijk aan den vioollessenaar geplaatst had , weder het dirigecr-gestoelte. De uitvoering van den 95en Psalm was in alle deelcn zeer gelukkig. De heer Göbbels zong de tenor-soli op de hem zoo eigene natuurlijke — en daardoor zoo schoone en waardige wijze. Eene met eene schoone stem begaafde dilettante uit 's Hage stond mevrouw Offermans in het duelto N°. 3 waardig ter zijde, en wij meenen hiermede onze ingenomenheid met haar talent genoegzaam en volkomen te hebben aangeduid.

Het koor zoug voortreffelijk, zelfs de dames alten met hare waardige voorgangster hielden zich dapper. Raadzaam zou het echter zijn in het vervolg eenige jonge zangers, alten wel te verstaan, aan deze partij toe te voegen, daar het getal werkelijke altstemmen bij de dames niet groot is en zij dus bij den besten wil vooral in de laagte niet kunnen doordringen.

Het orchest hield zich goed , de bazuinen waren zeer gelukkig in hunne krachtsaanwending. Het geheel van

deze zoo schoon klinkende compositie maakte een zeer weldadigen indruk.

Na de pausering , waarin velen zich , bf door de buitenlucht bf door een bezoek aan de concertzaal, die tot ververschingsplaats was aangewezen, van de vermoeijenissen of van de warmte hadden gerestaureerd, kwam Beethoven's Pastoraal-symphonie aan de beurt.

Nu was het oogenblik daar, dat de van heinde en verre bijeen gekomen musici en dilettanten zouden kunnen toonen , wat harmonie men zelfs bij de heterogeensle bestanddeeien bij eenen krachtigen wil verkrijgen kan. Het grootste bezwaar is immer de reine stemming bij de blaas-instrumenlen. De een heeft een Zeeuwsche clarinet, die een fluit van Hollandsche afkomst, een derde blaast op een Dnitsche fagot, een vierde heeft een instrument van Fransch fabrikaat. Ieder dezer instrumentfabrikaten verschilt in diapason van een ander. De invoering van den diapason-normal door den tegenwoordigen Franschen keizer is zeker eene gedachte, die meer harmonie zal bevorderen dan eenige andere zijner daden. Voegt hierbij dat sommigen uitgeblazen , veel gebruikte instrumenten hebben , dat anderen weêr hunne instrumenten niet genoeg ter oefening aanwenden, dan liggen de redenen voor de hand waarom de blazers niet altijd stemden , ofschoon wij gaarne erkennen dat de groote verbetering, die op dit punt tusschen de eerste repetitie en de laatste uitvoering was tot stand gebragt, van den ernstigen wil dezer heeren getuigde, om de gegronde aanmerkingen van den directeur naar krachten op te volgen.

Het strijkquartet, dat door de beperkte ruimte niet sterker bezet kon zijn, telde 8 eerste violen, 7 tweede, 5 alten , 4 of 5 violoncellen en 4 contrebassen. De eerste violen, waarbij de heeren Frans Coenen, H. J. D a h m e n uit Utrecht en H. A. BI e y r o o s uit Hoorn, waren zeer goed en ontwikkelden vrij wat toon. De tweede violen en alten waren meestal wat zwak. De violoncellen, aangevoerd door den heer P. R. Bekker, waren door goede contrabassen versterkt, die alleen in enkele plaatsen niet goed zamenstemden.

De Pasloral-symphonie werd in sommige opzigteu zeer schoon , in andere minder bevredigend uitgevoerd. Tot de goede eigenschappen rekenen wij de vaak uitstekend voorgedragene solophrascn voor fluit, hobo, clarinet, fagot en hoorn , en over het geheel de duidelijkheid waarmede de schoone gedachten van dit werk voor den dag kwamen , waartoe de goede acoustiek van het kerkgebouw zeker niet weinig bijdroeg. De zwakke zijde dezer uitvoering was de gejaagdheid, waarmede zoowel het eerste als derde deel werd gespeeld, hetgeen wij aan een ietwat te snel tempo toeschrijven. Het andante molto moto (Scène aro Bach) had naar onze meening iets levendiger kunnen zijn cu zou daardoor gewounen hebben, zoo ook den aanvang van het «Gewitter, Sturm." Het laatste deel ging, behalve eene storende ongelijkheid in de aan het slot zich bevindende figuren van zestiende noten door violoncellen en fagotten, naar onze meening het best. Zonder van het orchest reeds afscheid te nemen, moeten wij toch den ijver en de kunstliefde van zoo vele heeren liefhebbers zoowel van hier als van Amsterdam , Utrecht euz., die het strijkquartet versterkten , hier reeds vermelden , en valt de bekwaamheid van den Dordrechtschen diletlant-hazuinist te roemen, die, hoewel hij , naar wij meenen , in de symphonie niet medewerkte, daar Beethoven slechts twee bazuinen heeft voorgeschreven, toch op het geheele feest getoond beeft een degelijke muzijkbeoefenaar le zijn.

Gade's liefelijke Fiühlingsbothschaft werd ook goed weergegeven. Het koor zong niet blijkbaren lust en