is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; Orgaan der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs jrg 7, 1892, no 8, 20-02-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

78

krachtig in de hoogte gezogen; zoodra de zuiger zijn benedenwaartschen gang aanvangt, wordt de in den cylinder afgesloten Fig. '1. Aanzicht.

aanwezige lucht weder saamgedrukt, en de hamerbeer met groote kracht naar beneden geworpen.

De luchtdruk, welke het hamervlak op het smeedstuk drijft Fig. 2. Doorsnede over den cylinder.

is zeer groot en oefent een krachtige werking uit: onderzoekingen daarnaar ingesteld hebben aangetoond dat deze bij 100 Meter

zuigersnelheid per minuut vier en bij 120 M. vijf atmosferen overdruk bedraagt, Niet alleen de valhoogte wordt dus ten volle benuttigd, maar aan den hamerbeer wordt daarenboven deze groote luchtdi'ukking toegevoegd, zoodat hij met belangrijk vermeerderde energie op het smeedstuk neervalt.

De sterkte van den slag kan door het openen en sluiten van de luchtkraan naar goedvinden geregeld worden, hetgeen dit hamerwerktuig voor het smeden en hameren een bijzonder voordeel verschaft. Een kleine toestel, welke door denzeltden hefboom van de luchtkraan bestuurd wordt, maakt het mogelijk den hamerbeer in zijn hoogsten stand stil te houden.

De hamer is uit voortreffelijk materiaal gebouwd en daar geen fijne, teere deelen daarbij aanwezig zijn, zoo zijn ook de reparatiën uiterst gering en de duurzaamheid groot.

Het groot aantal toeren — bij de kleinere nummers tot 500 per minuut — veroorlooft niet alleen een vlug en voordeelig werken, maar het werktuig, dat uiterst gevoelig ïs voor de eenvoudige regeling, vergunt tevens, bij onveranderde snelheid, de sterkste en de zwakste slagen toe te brengen, hetgeen bij het behameren van fijne stukken van groot belang is.

De hamer wordt tot heden in 7 verschillende afmetingen gebouwd, terwijl het slageffect, met stoomhamers vergeleken, van 40 tot 450 K.G. valgewicht bedraagt.

Duisburg dj Bh., Febr. 1892.

J. L. Terneden.

Brug bij Mönchenstein.

VERSLAG VAN DE BOJTOS'EXPERTEN PROFESSOR RITTEREN PROFESSOR TETMAJER. (*)

Het in Augustus 11. door de heeren Prof. Ritter en Prof. Tetmajer aan den Zwitserschen Bondsraad uitgebrachte rapport, aangaande de vermoedelijke oorzaken van het spoorwegongeluk te Mönchenstein, is onlangs in druk verschenen. De uitgave heeft een privaat karakter en is niet in den boekhandel.

Behalve 22 tekstzijden bevat het rapport 26 in den tekst gedrukte figuren en 12 platen waarvan 7 in lichtdruk. Het geheel maakt een bijzonder goeden indruk en wel niet 't minst tengevolge van den beknopten en zuiver wetenschappeliiken vorm, waarin door de beide op wetenschappelijk gebied zoo gunstig bekende geleerden de oorzaken nagegaan en besproken worden, welke tot deze zoo treurige gebeurtenis aanleiding gaven.

De vSchweizerische Bauzeitung" werd van competente zijde in de gelegenheid gesteld, het officieel rapport met de bijbehoorende platen in hare kolommen op te nemen.

Het feit dat eene ijzeren spoorwegbrug in Eurona. na 16 iaren lane be¬

reden te zijn, instort en tot zulk eene ontzettende ramp aanleiding geeft, staat te eenig in de annalen van de geschiedenis van het spoorwegwezen, om niet van genoegzaam belang gerekend te worden, ook hier ter plaatse, zij 'tdan ook slechts »en resumé", te worden medegedeeld. Het verslag is in de volgende hoofdstukken afgedeeld.

1. Situatie van den Birs-overgang bij Mönchenstein.

2. Beschrijving van de brug vóór de ramp.

3. Beschrijving van de brug na de ramp.

4. Resultaten van het materiaal-onderzoek.

5. Statisch onderzoek.

6. Overzicht der gevolgtrekkingen.

Wij zullen aan de hand van deze indeeling het verslag volgen en de eerste vier hoofdstukken in 't kort, de statische berekeningen (5) meer uitgebreid en de gevolgtrekkingen (6) in hun geheel weergeven.

I. Situatie van den Birs-overgang.

De spoorweg van Delsberg naar Bazel verlaat het Mönchensteiner station (Kil. 118.3) in eene rechte lijn, deze gaat bij Kil. 118.57 in eenen boog van 350 meter straal over. Het theoretische eindpunt van den boog ligt bij Kil. 118.802 en is 13.56 meter van het rechter of Mönchensteiner en 27.44 meter van het linker of Bazeler landhoofd verwijderd.

ue overgang uisscnen aen ooog en de aansluitende rechte lijn wordt door eene parabool van 26 meter lengte bewerkstelligd; deze ligt gelijkelijk verdeeld in de rechte lijn en in den boog; zoodat het begin van den boog 13 meter meer naar het Bazeler landhoofd verschoven bij Kil. 118.815 komt te liggen. Op de brug over de Birs, waarvan de wijdte in den dag 41 meter bedraagt ligt het begin van den boog dus 13.56 + 13 = 26.56 meter van het Mönchensteiner resp. 14.44 nieter van het Bazeler landhoofd verwijderd, valt dus in het naar Bazel toegekeerde gedeelte.

De as van de brug snijdt de as van het gecorrigeerde rivierbed onder een' hoek van 51° 4' 54"; zij snijdt verder de rechtlijnige spoor-

(*) In «De Ingenieur», jaargang 1891, blz. 443 en 444 werd door den heer W. F. Leemans een kort overzicht gegeven van dit toen juist verschenen verslag. Enkele dagen later zond ons de heer F. W. Smallenburg uit Ztirich nevensgaand uittreksel. Alhoewel door het opstel van den heer Leemans de hoofdzaken aan de lezers van dit blad bekend zijn, meenen wij toch dat het plaatsen van het nadere meer uitgewerkte stuk van den heer Smallenburg velen aangenaam zal zijn.

Red.