is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; Orgaan der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs jrg 7, 1892, no 20, 14-05-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

205

DE INGENIEUR.

Orgaan

T Jaargang. DEK 1892- ~~ * 20,

VEREENIGING VAN BURGERLIJKE INGENIEURS.

WeeMM pwl aai ï\ ticMifc m ie mcmumüB van OpenHare WerKen ei BiroMl.

Prijs per Jaargang:

Franco per post.

Voor Nederland / 8,—'

Voor het Buitenland met vooruitbetaling ... - 10.50 ▼oor leden der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs

worden bovenstaande prijzen met / 2.— verminderd. Men abonneert zich voor een jaargang. Over het bedrag der abonnementen in Nederland

wordt halfjaarlijks door de Administratie beschikt. Afzonderlijke nummers 20 cents. — Bewijsnummers

10 cents.

Verschijnt eiken Zaterdag.

Abonnementen, stukken en mededeelingen, boeken brochures, enz. te richten aan de Redactie: Sundastraat No. 6, te 's-Gravenhage.

Advertentiên uiterlijk Vrijdags 12 ure des voormiddags intezenden aan de Administratie: Gebb. Belinfante, voorh.: A. D. Schinkel, Paveljoensgracht No. 19, te 's-Gravenhage.

's- Gravenhage, 14 Mei.

Prijs der Advertentie!".

/ 0.25

Per regel

Groote letters naar plaatsruimte.

Abonnementen volgens afzonderlijke overeenkomst.

Bij eene eerste plaatsing van annonces voor Aanbestedingen is de prijs per regel ƒ0.15; bij eene tweede en meerdere plaatsing van dezelfde annonce ƒ 0.10.

Bij abonnement op Advertentiên wordt het blad gratis toegezonden

Verantwoordelijk Redacteur: J. van HeüRN, Civ.-Ing.^VGravenhage.

~ïn"houd.^

Over metaalconstructies der toekomst (Aluminium staal), ^SFƒn^b're'wer'keu Aaiteekeningen bij het Koloniaal Verslag van 1891 over BurgerUjke>°^™V™£Z in Ned.-lndië, door J. Iixken. (Slot en vervolg van blz. 198]i - s'™\8»00^ f or.

Sfensetenteo^rWhe°naar ^-Tet^Z 0^™*$»* rlfkVte arSelen - Statistieke mededeelingen. - Weerkundige'^^f^. Rivierberichten. — Binnen- en Buitenlandsche berichten. - Benoemingen en vei plaatsingen.

ERSATÜM. In het ingezonden stuk van den heer J. Stroink, blz. 200, 2e kolom, regel 4 v. o. staat: dit voeg ik niet met opzet hierbij — lees: dit voeg ik met opzet hierbij.

Over metaalconstructies der toekomst.

(ALUMINIUM STAAL.)

5oo luidt de titel eener voordracht door Prof. Steiner

den 3den Januari jl. in de Vereeniging van uostenrijksche ingenieurs en architecten (1) gehouden. Deze <.nm>rliHar>Vit. is in twee deelen te snlitsen : het eerste

omvat de constructie, hoofdzakelijk beschouwingen over de dyna¬

mische werking der verkeerslasten; net tweeae geuco.^ ^ handelt het materiaal, in het bijzonder de Oostenrijksche smeltijzerquaestie. ,.

Aan deze voordracht knoopte zich een belangrijke discussie vast, waarbij Prof. Radinger zijne inzichten uitsprak, over de tijdruimte vereischt voor de volle ontwikkeling van het weerstandsvermogen eener constructie bij optredende belasting, als ook over hare, onder zekere omstandigheden verminderde zekerheid binnen deze tijdperiode.

Het eerste gedeelte gaan wij stilzwijgend voorbij. In net tweede deel gaf Prof. Steiner zijne bevreemding te kennen, dat aan de Boheemsche ijzerwerken geen gelegenheid was geboden, aan de bekende vergelijkende onderzoekingen met Martin- en Ihomassmeltijzer officieel deel te nemen, ofschoon deze werken voor /3 deel de Oostenrijksche markt beheerschen.

Uitsluitend aan spoorstaven en wielbanden werden van 1 Januari tot 30 Nov. 1891 vervaardigd : ^ fle ^

opbrengst.

door het Alpinen-Montanwerk . 481,000 . . ■ 23.4.

j> » Witkowitz-Montanwerk 423,000 . . •

» de Boheemsche werken. . 731,000 . . ■ j>5.b.

» alle overige werken . . . 416,000 . . • *U.ó. Totaal . 2ppÖÓT

Het Keiz. Kon. Stadhouderschap te Praag had voor Bohemen zelve de zaak ter hand genomen en eene commissie benoemd bestaande uit 6 professoren der Prager technische hoogeschool en 3 ingenieurs, die onder het voorzitterschap van den Opperbouwraad v. Scheiner en zijn plaatsvervanger,, Bouwraad Hartmann, gedurende ruim een jaar, hoofdzakelijk in de fabrieken te Kladnor omvangrijke onderzoekingen op smeltijzer instelden. De Prof. Gollner en VavRA leidden, in vereeniging met den ingenieur van het Stadhouderschap, den heer WEiNGaRTNER, deze proef-

(1) Zeitschrift des Oesterr. Ing.- und Arch. Vereins 1892, n°. 8 en

nemingen, volgens een programma, opgesteld door de Prof. Bukowsky, Steiner en de drie bovengenoemde heeren.

De wijze van vervaardiging der drie materialen (weiijzer, Martin- en Thomas-ijzer) werd nauwkeurig nagegaan, hare verschillende eigenaardigheden te boek gesteld, hoofdzakelijk wat betreft de soort en de hoeveelheid der ruwstof, de hoeveelheid wind tot het doorblazen van een Thomas-charge, en den duur harer perioden, de voortbrenging en de hoedanigheid van het smeltmetaal, van de gieting der blokken af tot aan den laatsten gang door de walscylinders. Alle proefstukken werden met een officieelen stempel gewaarmerkt. De afzonderlijke trekproeven werden met smalle en breede staven gedaan, en wel in de volgende- toestanden:

ïo. in gereedzijnden (afleverings)toestand; 2°. uitgegloeid; 3°. gehard; 4°. blauwwarm gebogen en weder recht gericht; 5°. uitgebloeid en weder gehard; 6°. blauwaangeloopen; 7°. gehamerd ; 8°.° niet-afgeschaafd en 9°. wei-afgeschaafd.

Vervolgens werden nog staven met geboorde, geponste en later nageboorde gaten, staven met ingeslagen klinkbouten, gewelde, in blauwwarmen staat gebogen en recht gerichte, en in kouden staat gebogen en recht gerichte proefstaven aan trekbelasting onderworpen. .

Nog werden proeven gedaan met enkele klinkboutverbindingen der drie ijzersoorten, zoodanig, dat niet alleen de verbonden

staaf, maar ook de gording waaraan zij geklonken was, aan bepaalde spanningen werden blootgesteld. Daarenboven werden nog statische buig- en hamerproeven met strooken en hoekijzers, smeedproeven, slagproeven met stukken voor het gebruik gereed, enz. verricht.

De eindresultaten leidden tot de eenparige uitspraak, dat alle drie materialen voor den bruggenbouw geschikt schijnen en dat het Martin- en het Thomas-ijzer van de onderzochte soort in het bijeonder zich als van gelijke waarde hébben doen kennen.

Deze einduitspraak verrast ons zeer, daar zij tamelijk in weerspraak is met die van de Vereeniging der Oostenrijksche ingenieurs en architecten (1), welke, zooals gemeld is, tengevolge had dat bij de Oostenrijksche Staatsspoorwegen het gebruik van Thomas-ijzer in den bruggenbouw voorloopig werd uitgesloten. (2)

De uitkomsten der proeven, voor zooverre Prof. Steiner deze mededeelde, willen wij van wat naderbij beschouwen, omdat zij er toe bijdragen de smeltijzer-quaestie meer tot klaarheid te brengen.

Het kopeinde van een blok bleek, bij de twee soorten van smeltijzer, vaster en minder uitrekbaar dan het voeteinde. Bij beide smeltijzersoorten bezaten de laatst gegoten blokken eener zelfde charge een grooter draagvermogen en hardheid dan de eerst gegotene- daarentegen bleek het draagvermogen.de uitrekking,de samentrekking en de geschiktheid tot bewerking van het materiaal van de beide walseinden van één stuk vrijwel gelijk. De verschillen in de scheikundige samenstelling der verschillende blokken onderling waren niet noemenswaardig. Het weiijzer werd door uitgloeien in zijn draagvermogen weinig veranderd. Dit zelfde trad ook bij het Thomas- en het Martin-smeltijzer in het algemeen te voorschijn,

(1) Zie: «De Ingenieur», 7e Jaargang, n°. 7, blz. 66.

(2) De proefnemingen ook van Prof. Steiner zijn vermeld in: »De Ambachtsman" 7e Jaargang n°. 40, 41 en 42 van 2—16 April 1892.

De YereenisiiE ra BureerlilKe ingenieurs stelt zien in eeenen ieeie TeranrwoorflelrjK tooi ie ienïoeelieii in de oMerscneiflene biidraeen ontwifcïelfl of toegeiicbt.