is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; Orgaan der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs jrg 7, 1892, no 24, 11-06-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

253

presideeren — van meening was, dat de wensch van den heer Koning zich geheel aansloot met den geest der voordracht van den heer Telders, en hij er daarom geen bezwaar inzag die bijvoeging in het adres op te nemen, werd het voorstel met algemeene stemmen aangenomen.

Het lid A. C. Broekman vroeg en verkreeg daarna het woord, om eene nadere mededeeling te doen omtrent de oorzaak van de instorting der brug te Mönchenstein.

In zijn verslag aan den Minister had spreker er reeds op gewezen, dat de verkregen resultaten niet toelieten het ongeval aan eene toevallige omstandigheid toe te schrijven. Dit is ook de meening van de Prof. Ritter en Tetmajer. Volgens dezen zouden in de verschillende deelen van de hoofdliggers, tengevolge van de excentrische bevestiging der diagonalen, spanningen van ruim 1800 K.G. per c.M2., volgens spreker ongeveer 2000 K.G., zijn voorgekomen ; dus ook hierin overeenstemming, maar niet in de conclusiën. Na uitbrenging van zijn verslag heeft spreker het onderzoek voortgezet en is hij tot het volgende resultaat gekomen. Door uitzetting van de 'hoofdliggers, tengevolge van temperatuursverhooging zijn de liggers, langer geworden. Hierdoor zijn de dwarsdragers, die aan de hoofd- en secundaire langsliggers bevestigd waren, welke bevestiging in den voorafgaanden winter nog door driehoekige platen versterkt is geworden, gebogen geworden, waardoor hooge spanningen, afhankelijk van de temperatuur, ontstaan zijn, en waarin naar zijne meening, de naaste oorzaak van de ramp gelegen is.

De temperatuur tijdens de ramp was vrij hoog, daarenboven de brug donker grijs gekleurd, hetgeen nadeelig was, daar uit een onderzoek van twee deelen van de brug, waarvan één met de oorspronkelijke grijze kleur en één wit geverfd was, bleek, dat, nadat beide deelen aan de zon waren blootgesteld, de temperatuur van het witgeverfde 10° lager was dan die van het andere.

De mededeeling van den heer Broekman gaf aanleiding tot eene discussie met de heeren J. Schroeder van der Kolk en J. M. Telders, waarbij eerstgenoemde den spreker opmerkte dat evenwel de spanningen in de langsdragers altijd het grootst zijn daar waar de beweegbare oplegging der brug is, dus aan het einde; terwijl laatstgenoemde er op wees dat ook hier te lande veel waarde gehecht wordt aan eene goede verbinding der dwarsliggers met de langsliggers en dat ook hier de meeste bruggen Noord—Zuid gericht zijn evenals de brug te Mönchenstein, zoodat eenzijdige uitzetting daarvan het gevolg kan zijn. Een en ander was volgens den heer Broekman wel reden om de gevolgen daarvan bij onze bruggen te onderzoeken, maar bij de brug te Mönchenstein had men het geval van eene bijzondere bevestiging door een later aangebrachte driehoekige plaat.

Daarna werd het woord gegeven aan den heer Huet, die in verband met reeds vroeger door hem gehouden voordrachten over pompen, een voorlezing hield over de bereikbare zuigersnelheid voor dubbel werkende pompen met groote zuighoogte. Wegens het ingewikkelde van het onderwerp en de snelheid der voorlezing viel het den verslaggever moeilijk den heer Huet te volgen. Onze lezers houden het daarom den verslaggever ten goede, wanneer hij zich niet waagt daarvan een uittreksel te geven ; zij hebben geduld tot de gedrukte notulen zullen zijn verschenen !

Daar niemand meer het woord verlangde, werd de vergadering ten half drie ure door den waarnemend-president gesloten. v. H.

STA TEN-GEN ER AAL.

Omtrent de handelingen der Staten-Generaal in 1892 bevatte »De Ingenieur" tot dusver geen mededeelingen. Thans wordt bet overzicht hervat.

De nieuwe bewerker' dezer rubriek stelt zich voor in de eerstvolgende nommers verslag te geven van hetgeen sedert 1 Januari 1892 te vermelden viel.

Nadat de achterstand zal zijn bijgewerkt, hoopt hij zoo min mogelijk van de aartsvaderlijke nachtschuit gebruik te maken.

Wetsontwerpen; tot onteigening van eigendommen ten behoeve van den aanleg en de verbetering van straten en riolen in Klarendal, gemeente Arnhem (No. 44), en tot onteigening voor het stichten van een nieuw post- en telegraafkantoor te Amsterdam, voor de verbreeding van de Huiszittensteeg en van de Korte Huiszittensteeg aldaar (No. 47).

Beide ontwerpen kwamen in behandeling in de vergadering der Tweede Kamer van 3 Maart 1892.

Omtrent het eerste kan het volgende vermeld worden.

De voorheen bijna onbeperkte vrijheid om naar eigen goedvinden en willekeur te bouwen, had in Klarendal langzamerhand een allertreurigsten toestand doen ontstaan. De gevaren, die daaruit voor de volksgezondheid, niet slechts in deze buurten, maar evenzeer in de geheele gemeente konden voortspruiten, leidden het gemeentebestuur er toe, zij het ook ten koste van groote geldelijke offers, plannen voor eene afdoende verbetering te beramen.

Om deze ten uitvoer te kunnen brengen verzocht het de Regeenng om een wetsvoorstel tot verklaring van algemeen nut van den aanleg en de verbetering van straten en riolen in Klarendal.

Dit verzoek viel in goede aarde.

De Regeering achtte toepassing der wet van 28 Augustus 1851 (SM. N°. 125) hier gerechtvaardigd en diende het verlangde ontwerp in, dat, zoowel door de Tweede Kamer, als door de Eerste (in hare vergadering van 1 April 1892) zonder hoofdelijke stemming werd aangenomen.

Mogen de plannen van het Gemeentebestuur nu spoedig tot uitvoering komen en Arnhem langs dien weg in het bezit geraken van een

gezond arbeiders-kwartier. En moge Arnhem's voorbeeld een prikkel zijn voor de besturen van andere groote gemeenten — niet slechts te Arnhem heerschen in mindere wijken bedenkelijke toestanden — om in gelijken zin te arbeiden.

In het tweede ontwerp werden twee zaken saamgekoppeld, nl.: eene onteigening voor den bouw van een nieuw post- en telegraafkantoor en eene onteigening voor een nieuwen verkeersweg van den Dam afin westelijke richting.

Dat ontwerp gaf in onze Vertegenwoordiging tot eenige gedachtenwisseling aanleiding; belangrijk vooral omdat de beginselen der algemeene onteigeningswetgeving daarbij ter sprake kwamen.

Het is bekend, dat door het vorige Kabinet een wetsvoorstel van gelijke strekking werd ingediend, hetwelk door de tegenwoordige Regeering werd ingetrokken en door het thans aangenomen ontwerp vervangen. Waarom geschiedde dit?

Beide ontwerpen waren nagenoeg gelijkluidend; alleen bevatte het ontwerp-Havelaar-de Savornin Lohman in plaats van de woorden »en voor de verbreeding van de Huiszittensteeg enz." de uitdrukking »en voor en ten behoeve van de verbreeding enz." Dit sten behoeve van" had tot strekking de onteigening mogelijk te maken van perceelen, achter de rooilijn der aan te leggen straat gelegen en niet volstrekt noodig voor de uitvoering van het werk, met het doel de gemeente eenigermate schadeloos te stellen voor de uitgaven, die zij zich ten behoeve van het plan zou moeten getroosten. Een dergelijke geldelijke speculatie nu achtten de tegenwoordige bewindslieden in strijd met de beginselen onzer onteigeningswet.

Deze meening vond bestrijding bij den Amsterdamschen afgevaardigde Hartogh. Zijne redeneering kwam hierop neder. De grondwet van 1887 belet niet, gelijk die van 1848, eene algemeene onteigeningswet, waarin niet alleen in het belang van eene bouwkundige, maar ook in dat van eene flnancieel-economische regeling, wordt toegelaten meer te onteigenen dan uit een technisch oogpunt strikt genomen voor het aanleggen van een straat noodig is (zoogenaamde onteigening par zóne). In geen enkel artikel der bestaande onteigeningswet zijn bepalingen te vinden, daarmede in strijd. Ergo bestaat er geen reden, om thans, nu het grondwettig bezwaar is weggevallen, die wet, waar het noodig is, niet eenigszins ruimer toe te passen dan vóór de grondwetsherziening kon geschieden.

De minister Tak van Poortvliet liet hiertegenover duidelijk uitkomen, dat de ruimere opvatting van den heer Hartogh, zoo al niet tegen de letter, dan toch zeker tegen geest en strekking der wet van 28 Augustus 1851 indruischte. En aangezien nu krachtens het Ilde Additioneel artikel der grondwet van 1887 die wet blijft gehandhaafd totdat zij door een nieuwe is vervangen, kon er naar het oordeel der Regeering geen sprake zijn van het onteigenen van meer perceelen dan technisch bepaald noodig is om den verkeersweg te verkrijgen. Z.E. voegde hier echter de mededeeling bij, dat bij het Departement van Justitie eene nieuwe onteigeningswet in bewerking is, waarin de meer vrijgevige beginselen der grondwet van 1887 op het stuk der onteigening worden belichaamd, en dus de zoogenaamde onteigening »par zóne" wordt mogelijk gemaakt.

De noodzakelijkheid van een nieuw post- en telegraafkantoor in de hoofdstad, werd in de Tweede Kamer niet betwist; evenmin die van de verbreiding der Huiszittenstegen.

Het wetsontwerp werd ten slotte zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

In de Eerste Kamer leverde de gedachtenwisseling niet veel belangrijks op. De heer Melvil van Lynden opperde, evenwel zonder bewijsgronden aan te voeren, twijfel ten aanzien van de noodzakelijkheid van den nieuwen verkeersweg en maakte eenige opmerkingen over de quaestie der onteigening par zóne, waarvan de minister Tak beloofde bij de bearbeiding van het nieuwe wetsontwerp gebruik te zullen maken.

Ten slotte werd ook hier (vergadering van 1 April 1892) het ontwerp zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

Amsterdam verkrijgt dus een nieuw post- en telegraafkantoor — naar wij hopen een der hoofdstad waardig gebouw — en een nieuwen ruimen verkeersweg; de Vertegenwoordiging zal zich eerlang kunnen w'ijden aan de gewichtige vragen, die eene wetsvoordracht, waarin de eischen der practijk met de eerbiediging van het eigendomsrecht in evenwicht dienen te blijven, in moet sluiten.

Adres van W.Thomas en andere mindere geëmployeerden en werklieden bij de magazijnen aan 's Rijks Werf te Amsterdam (No. 16).

Op dit adres, tot strekking hebbende dat bij de berekening van hun pensioen niet alleen in aanmerking zouden komen de jaren, die adressanten in dienst van het Rijk aan de Werf waren verbonden, maar ook de daaraan voorafgaande, waarin zij ter zelfder plaatse in dienst van aannemers hadden gearbeid, had de Minister van Marine inlichtingen verstrekt, en de Commissie, in wier handen die inlichtingen waren geweest, stelde de volgende conclusie voor:

»Uwe Commissie heeft daarom de eer eenparig aan de Kamer voor te stellen, onder dankbetuiging voor de verstrekte inlichtingen, als haar oordeel uit te spreken, dat bij de berekening van de pensioenen van de minder geëmployeerden en werklieden bij de magazijnen van 's Rijks Werf te Amsterdam diensten als de hier bedoelde onder een vasten of particulieren aannemer in aanmerking dienen te komen, en een afdruk van dit verslag te zenden aan den Minister van Marine."

In de vergadering der Tweede Kamer van 3 Maart 1892 werd die conclusie door den heer Guyot, gesteund door den Minister en den heer Röell, bestreden.