is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; Orgaan der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs jrg 7, 1892, no 28, 09-07-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

294

Door hem toch werd wel degelijk uitdrukkelijk het gemis van dergelijke wet geconstateerd/'

De verlangde verzekering, dat door het toetreden tot deze overeenkomsten in geen enkel opzicht inbreuk wordt gemaakt op de vrijheid van wetgeving aangaande deze zaak in de toekomst kan derhalve worden gegeven.

Evenwel heeft de vorige Regeering de zedelijke verplichting tot het indienen van een desbetreffend wetsontwerp op zich genomen door de toezegging in haar naam door den Nederlandschen afgevaardigde te Madrid gedaan. Tot het doen van die toezegging bestond alle aanleiding. Immers, reeds op de conferentie te Rome was een voorstel van Frankrijk aanhangig om eene additioneele bepaling aan de Conventie van 4883 toe te voegen, verklarende, dat alle Staten, die deel uitmaken van de Unie en geen wetten bezitten betreffende alle onderdeelen van den industrieelen eigendom, hunne wetgeving te dien aanzien binnen den kortst mogelijken tijd zouden aanvullen.

Dit voorstel, dat zeer zeker zou zijn aangenomen, vooral omdat in Zwitserland — het eenige Rijk met Nederland, dat geen octrooiwet bezat — toen reeds zoodanige wet werd voorbereid, werd ter zijde geschoven alleen door de aanneming in den aanvang der conferentie van een voorstel van den Nederlandschen afgevaardigde om alstoen, nog zoo korten tijd sedert het in werking treden der Conventie, deze in geen enkel opzicht te wijzigen of aan te vullen, doch eerst de practijk over hare werking uitspraak te laten doen. Dientengevolge beperkte die conferentie hare taak tot het vaststellen van uitvoeringsmaatregelen zonder eene enkele bindende bepaling aan de Conventie toe te voegen. Het oorspronkelijke voorstel van Frankrijk tot aanvulling der Conventie werd toen vervormd tot een wensch van de conferentie en als zoodanig aangenomen. Vandaar dat de afgevaardigde van Nederland te Madrid verplicht was tot eene verontschuldigende verklaring waarom aan dien wensch door ons land rog geen gevolg was gegeven. Ongetwijfeld zal die wensch bij eene volgende conferentie worden herhaald, doch dan in niet meer af te weren dringender vorm.

Blijft Nederland in gebreke aan het in 1886 uitgesproken verlangen te voldoen, dan zal uittreding uit de Unie daarvan waarschijnlijk het noodzakelijk gevolg moeten worden, en zullen wij alle bescherming, ook voor de merken elders, missen en de groote voordeelen aan internationale inschrijving verbonden. Men telle de gevolgen van die uittreding niet licht. De Regeering is mitsdien van meening dat in 's lands belang eene regeling betreffende de octrooien moeilijk zal zijn te ontwijken. Bij zoodanige regeling zal er intusschen zooveel mogelijk naar gestreefd moeten worden de uit den aard der zaak aan zoodanige wet klevende nadeelen tot een minimum terug te brengen, waardoor de voordeelen des te meer zullen gevoeld worden. De eerlijkheid in den handel, op het bevorderen waarvan in § 1 van het Voorloopig Verslag werd aangedrongen, zal^ zeker daardoor gebaat worden, terwijl onze verhouding tot andere Staten er ongetwijfeld bij zal winnen.

Nu Nederland, zooals terecht in het Voorloopig Verslag wordt opgemerkt, het eenige beschaafde land in Europa is, waar geen octrooiwet bestaat, verdient trouwens de vraag ernstig onder de oogen te worden gezien, of de bedenkingen tegen zoodanige wet van de invoering wel mogen terughouden, indien het mogelijk blijkt de practische bezwaren grootendeels te overwinnen. Met het voorbeeld van andere Rijken kan Nederland zijn voordeel doen, en het mag niet worden voorbijgezien, dat in die andere Staten toch ook de nadeelen en moeilijkheden, die eene octrooiwet kan opleveren, zijn overwogen, maar daar niet overwegend zijn bevonden.

Het komt ons voor, dat de Regeering zich ten aanzien van het netelige vraagstuk op het juiste standpunt plaatst. Immers, het schijnt thans minder de vraag of in theorie eene octrooiwet al dan niet is goed te keuren, dan wel of de bezwaren en gevaren, uit ons isolement voortvloeiende, niet tot de invoering van zulk een wet nopen. En de gronden, waarop de Regeering die vraag bevestigend beantwoordt komen ons alles behalve onbeteekenend voor.

Welke bepalingen het in uitzicht gestelde ontwerp zal bevatten moet de toekomst leeren.

Vooralsnog meenen wij te mogen vertrouwen, dat bij de samenstelling eener wet, die uit den aard der zaak hoofdzakelijk moet strekken tot bescherming van een enkele categorie, in casu die der uitvinders, door onze tegenwoordige bewindslieden zeer zeker het belang van het algemeen niet uit het oog zal worden verloren.

Verhooging van hoofdstuk V der Staatsbegrooting voor 1892 (No. 170).

Bij Koninklijke Boodschap van 3 Juni 1892 is een wetsontwerp ingediend tot verhooging van de begrooting voor het loopend dienstjaar van het Departement van Binnenlandsche Zaken.

Behalve eene verhooging van art. 64, gevolg van het bij de wet van 4 April 1892 (Stbl. n°. 56) ten aanzien van de nationale militie bepaalde, waarbij wij hier niet behoeven stil te staan, bevat het ontwerp de flnancieele regeling van twee zaken, die in de kolommen van «De Ingenieur» niet onvermeld mogen blijven.

Vooreerst de stichting van een gebouw ten dienste van de onderhanden genomen triangulatie van Nederland en van het onderwijs in de geodesie, het landmeten en het waterpassen aan de Polytechnische School.

Te" andere de instelling van eene centrale commissie voor de statistiek.

Vindt het Delftsche gebouw genade in de oogen der Vertegenwoordiging dan zal in eene dringende behoefte van het onderwijs aan de P. S. worden voorzien.

De kosten met inbegrip van verwarming, gas- en waterleiding, aankoop van grond, afwerken van het terrein en opzicht zijn geraamd op ongeveer f 223,000; de loopende begrooting wordt met de kosten

van den aankoop van den grond en een eersten termijn van den bouw tot een bedrag van f 128,000 verhoogd,

Van veel wijder strekking is het andere voorstel.

Het groote nut van een goed ingerichte, vertrouwbare statistiek werd reeds in 1826 van regeeringswege erkend door de oprichting van een afzonderlijk bureau bij het Departement van Binnenlandsche Zaken, welks werkkring echter door de politieke gebeurtenissen na 1830 werd gebroken.

In 1848 weder hersteld, werd het in 1857 hervormd tot eene bijzondere afdeeling met een referendaris aan het hoofd.

Al spoedig bleek, dat. die regeling geen doel trof. Daarom werd in 1858, op het voetspoor van België, waar sedert 1841 eene «Commission Centrale» uitnemende diensten bewees, met medewerking van de StatenGeneraal eene Rijkscommissie voor statistiek ingesteld, die in haar kortstondig bestaan verschillende, goede zaken tot stand bracht.

Zij stelde regelen vast voor de volkstelling van 1859, die ook in 1869 en 1879 met goed gevolg zijn toegepast. In 1889 werd daarvan afgeweken, maar de uitkomsten der jongste telling, die nog op zich laten wachten, zullen moeten bewijzen of de nieuwe veel ingewikkelder en veel duurder voorschriften inderdaad eene verbetering zijn geweest.

Aan de Commissie is ook te danken, dat, met betrekking tot de bevolkingsstatistiek, gebroken werd met bet stelsel van wettelijke woonplaats, dat tot de meest dwaze ongerijmdheden leidde. Zoo werd, om een bekend voorbeeld te noemen, een jongmensch, te Utrecht studeerende, evenals het gezin van zijn koetsier, dat te Maarssen gevestigd was, ingeschreven te Middelburg omdat daar de voogd van den student woonde. Sedert 1861 wordt — het schijnt uiterst eenvoudig maar het gebeurde jaren lang niet — op voorstel der commissie ieder ingeschreven waar hij werkelijk woont.

Blijkens hare jaarverslagen heeft de commissie buitendien den grond gelegd voor verschillende andere verbeteringen — o. a. nam zij het initiatief voor de uitgave van den Staatsalmanak — maar desniettemin geraakte zij spoedig in discrediet. Geruchten kwamen in omloop over de minder gelukkige verstandhouding tusschen enkele invloedrijke leden. Men schreef daaraan toe, dat niet bij tooverslag alles veranderd werd wat verbetering vorderde. En, onder den indruk van die opvatting, weigerde de Tweede Kamer de op de begrooting voor 1862 ten behoeve der instelling uitgetrokken gelden.

De Memorie van Toelichting op het ingediend wetsontwerp laakt dit besluit als «weinig getuigende van grondig onderzoek en nauwgezette waardeering». Zij betreurt het, omdat «met reden ondersteld mag worden, dat de commissie, ware zij blijven bestaan, nog veel nut zou hebben gesticht en dat de statistiek vele goede vruchten van hare werkzaamheid zou hebben geplukt».

Na dien tijd bleef de regeling gebrekkig.

Er was aan het Departement van Binnenlandsche Zaken eene afdeeling voor statistiek, aan wier hoofd jaren lang een zeer verdienstelijk referendaris heeft gestaan, maar deze slaagde er niet in de noodige eenheid in de zaak te brengen.

Een poging om een centraal bureau voor de statistiek op te richten, door de Regeering in 1880 gewaagd, leed schipbreuk in de Tweede Kamer en later werden bij herhaling amendementen in dien geest verworpen.

Terwijl alzoo van Staatswege niet werd voorzien in de behoefte aan centrale leiding van de statistiek, trachtten particuliere krachten de leemte aan te vullen.

Door de «Vereeniging voor de Statistiek» toch werd in 1884 een «Statistisch Instituut» opgericht, belast met de verzameling, bewerking en, waar doenlijk, internationale vergelijking van statistieke bouwstoffen. En ofschoon van die instelling veel goeds uitging — men denke o. a. aan de bekende jaarcijfers — erkende de Vereeniging zelve in een adres van Mei 1890, dat het haar niet is mogen gelukken de statistiek hier te lande uit te breiden en te verbeteren. «Het Instituut», zeide zij, «miste het noodige gezag om zelfstandig voldoende bouwstoffen te verzamelen of om zijnen adviezen voldoende kracht te 'geven. De noodige fondsen ontbraken, om het aanwezig statistisch materiaal behoorlijk te doen verwerken».

De Vereeniging dringt dan ook krachtig op eene Rijksinstelling voor de statistiek aan, en zij werd daarin gesteund door de «Vereeniging tot bevordering van fabrieks- en handwerksnijverheid», die zich eveneens bij adres tot de Regeering wendde.

Ten volle erkent deze het gebrekkige van den bestaanden toestand. In de Memorie van Toelichting schrijft zij het volgende:

«De Regeeringsstatistiek wordt bewerkt in de verschillende afdeelingen van de onderscheidene Departementen van algemeen bestuur. Afdoend toezicht evenwel op richtige en nauwkeurige bewerking ; het ontwerpen en steeds verbeteren der voorschriften; het bevorderen van eene goede verzameling van vertrouwbare bouwstoffen, vorderen eene mate van tijd, als onmogelijk door de chefs der onderscheidene afdeelingen, meestal met meer urgente zaken overladen, aan de statistiek, hunne afdeeling betreffende, kan worden ten koste gelegd. Door het gemis van eenig onderling verband is er geen verband in de statistische opgaven ook waar die feitelijk bestaat tusschen de onderwerpen waarover de statistiek loopt.

Al moet nu zeker van sommige Regeeringsstatistieken met lof

worden gesproken, toch is er — het valt niet te ontkennen veel

verbetering aan te brengen, en dat vooral in die statistieken, die niet alleen voor de Regeering zijn bestemd, maar ook vooral door de Volksvertegenwoordiging en het publiek geraadpleegd moeten worden. Men denke onder andere aan de onderwijsstatistiek, de geneeskundige