is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; Orgaan der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs jrg 7, 1892, no 31, 30-07-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

326

vervolgens in noordwestelijke richting naar de nieuwe Maasmonding in de richting van Gansoijen, waar het kanaal door middel eener keeren uitwateringssluis in de nieuwe rivier uitmondt.

Het zuider uitwateringskanaal langs de nieuwe rivier wordt door een even ten zuiden van bedoelde keer- en uitwateringssluis aan te brengen grondduiker onder het kanaal 's Hertogenbosch—Gansoijen geleid.

Om in het bezit der gronden te komen, voor de uitvoering van het werk vereischt, is toepassing noodig der onteigeningswet.

Het ingediend wetsontwerp verklaart dan ook, dat het algemeen nut de onteigening vordert ten name van den Staat van eigendommen in de gemeenten 's Hertogenbosch enz., 1°. voor den aanleg van het kanaal, 2°. voor het maken der wegen en waterleidingen tot herstel van gemeenschap en afwatering der doorsneden landen.

Ten aanzien der bezwaren, na het ter visie leggen van de onteigeningsstukken ingebracht, deelt de M. v. T. ten slotte in hoofdzaak mede, dat aan den wensch om den kanaalmond in de richting naar de Donge te verleggen, waardoor de kosten belangrijk zouden vermeerderen, geen gevolg kan worden gegeven. Zulk eene verlegging toch, is niet noodig voor het doel, dat met het kanaal wordt beoogd.

Voorts, dat verzoeken om duikers te maken voor af- en uitwatering, waar de behoefte daaraan niet kan worden aangemerkt als een gevolg van den aanleg van het kanaal, niet in aanmerking kunnen komen.

Indien de Minister zich gevleid mocht hebben dat het wetsontwerp bij het onderzoek in de afdeelingen der Tweede Kamer tot weinig bedenkingen aanleiding zou geven, zal het Voorloopig Verslag hem wel eenigszins hebben teleurgesteld.

Immers, na een reeks aan- en opmerkingen, vindt men daarin een eerbiedwaardige hoeveelheid vragen.

Het stuk begint met de vriendelijke verklaring dat men algemeen de M. v. T. zeer onvolledig vond en van oordeel was, dat zij niet voldoet aan den eisch, aard en de strekking van het werk op voldoende wijze toe te lichten.

Onduidelijk en onvolledig werd gevonden de omschrijving van het doel van het kanaal. Mede in verband met vroegere mededeelingen, wenschte men nader te vernemen welk water (Dommel, Ley of Aawater) door het kanaal zal worden afgevoerd en hoe groot het afvoervermogen zal zijn, getoetst aan feitelijke toestanden in tijdperken van waterlast. Ook, of door het kanaal een gedeelte van het Beersche Maas-water zal worden afgeleid en, zoo neen, hoe dan dat water uit de omstreken van 's-Hertogenbosch zal worden verwijderd — «zoo lang de Beersche Maas niet watervrij is afgesloten», wordt er snedig bijgevoegd. Zal het hulpgat in den nieuwen linker rivierdijk boven den kanaalmond bij Gansoijen daarvoor moeten dienen?

Ofschoon men den Minister moest toegeven dat in het eenig artikel der wet van 26 Januari 1883 (Stbl. no. 4) geen bepaalde richting voor het kanaal is aangegeven, betwijfelde men toch of in dit opzicht de keuze nog wel vrij mag worden genoemd. Immers, in verschillende vroeger gewisselde stukken is Hedikhuizen beslist, als eindpunt genoemd. En men achtte deze quaestie, niet ten onrechte, vooral van belang om de volgende consideratie.

«De Staten van Noord-Brabant hebben bij hun besluit van 15 Juli 1880, sub letter A, eene bijdrage van een millioen gulden uit de provinciale kas aan het Rijk aangeboden, in de kosten van aanleg en onderhoud der werken, bedoeld in den brief van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid van 7 Januari 1880, onder voorwaarde dat voor'de uitvoering dier werken als grondslag zal worden aangenomen de nota van den hoofdingenieur in het 6de district, van 8 Juni 1880, en het bestuur van het waterschap ter bevordering der verbetering van den waterstaatstoestand in het noord-oostelijk deel van Noord-Brabant, heeft in art. 1 der overeenkomst van 23 April 1885 eene bijdrage van 2 millioen gulden verleend in de kosten van aanleg <ler werken bedoeld in de missive van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid van 7 Januari 1880, no. 1, nader toegelicht door de nota van den hoofdingenieur van den waterstaat in Noord-Brabant van 8 Juni 1880.

Volgens die nota van den hoofdingenieur van 8 Juni 1880 is, zooals in den aanvang daarvan gezegd wordt, ter voorziening in de uitwatering der landen, gelegen in het inundatiegebied van de Dommel en de Aa bij 's-Hertogenbosch, en zooals in het slot der nota herhaald wordt voor de afwatering van de Dommel met de Ley, en de meeste polders bewesten de Dieze, een afwateringskanaal te graven naar Hedikhuizen, ten einde dezen voornamen toevoer van water onafhankelijk te maken van de scheepvaartbelangen van 's-Hertogenbosch met de Zuid-Willemsvaart en de Dieze.

Nu wordt in de Memorie van Toelichting wel gezegd, dat door den hoofdingenieur van den provincialen waterstaat van Noord-Brabant is deelgenomen aan het onderzoek naar de richting, die het best aan het voorgestelde doel zal beantwoorden, doch men wenschte van den Minister te vernemen, of de Staten van Noord-Brabant en het bestuur van genoemd waterschap de aanleg van het afwateringskanaal van 's-Hertogenbosch in de richting naar Gansoijen hebben goedgekeurd, en besloten hebben, dat zij de verleende bijdragen in hun geheel aan het Rijk zullen voldoen, wanneer het afwateringskanaal naar Gansoijen wordt gemaakt, in plaats van naar Hedikhuizen.

Zoo ja, dan wenschte men mededeeling van die besluiten te ontvangen.

Men vond voorts niet heel duidelijk het betoog in de M. v. T., dat een kanaal naar Gansoijen lager waterstanden te 's-Hertogenbosch ten gevolge zal hebben dan een kanaal naar Hedikhuizen. Die stelling wenschte men uitvoeriger toegelicht te zien, zoo mogelijk met een voorbeeld, getrokken uit een der laatste inundatie-tijdperken. Ook ons

schijnt het betoog niet juist glashelder, maar, leest men het aandachtig, dan is het toch wel te begrijpen.

Meer gewettigd komt ons dan ook de vraag voor, of door de meerdere kosten van een kanaal Gansoijen niet geschonden wordt het beginsel, in de M. v. T. tot het ontwerp der wet van 27 Mei 1881 op den voorgrond gesteld: «dat de uitgaven vereischt tot het maken der nieuwe rivier met het afsluiten der oude, benevens het normaliseeren van den Amer, met andere woorden, die voor de algemeene rivierverbetering komen ten lasten van den Staat, en dat de bijdragen van de provincie en van het waterschap te zamen de kosten behooren te dekken van de verschillende werken, dienende tot herstel van afwateringen, gemeenschapsmiddeln.»

Een andere quaestie, die aangevoerd wordt in het V. V., is het nemen van proeven ter bepaling van den toekomstigen waterstand op de nieuwe rivier bij Keizersveer. Men wenschte te vernemen of die proefnemingen, bedoeld in de M. v. T. tot hét ontwerp der wet van 25 Februari 1885 en nader toegelicht in de M. v. A. op het V. V. over dat ontwerp, reeds hebben plaats gehad; zoo ja, «welke de uitkomsten zijn, en of in overleg met Ged. Staten van Noord-Brabant, na verhoor der belanghebbenden, overeenkomstig de bepaling voorkomende in art. 1 van het Staten-besluit van 23 April 1881, eene beslissing genomen is ten aanzien van de oprichting der stoomgemalen, die in de oorspronkelijke raming van kosten, voorkomende in de M. v. T. tot het wetsontwerp van 27 Mei 1881, voor een bedrag van f 320,000 zijn uitgetrokken."

Zijn de proeven nog niet genomen, dan zou men gaarne te weten komen of een nieuw kanaal naar Gansoijen daaraan niet hinderlijk zal zijn.

Tegen de kanaalrichting 's-Hertogenbosch—Hedikhuizen wordt in de M. v. T. als een bezwaar vermeld dat het inundatiegebied bewesten 's-Hertogenbosch door zoodanig kanaal in twee deelen zou worden gesplitst, waardoor het zonder kostbare werken niet mogelijk zijn zou de. bezuiden het kanaal gelegen polderlanden met Maaswater te irrigeeren, zooals sub a van het eenig artikel der wet van 26 Januari 1883 (Stbl. n°. 4) is bedoeld. In verband hiermede wenschte men te vernemen, op welke wijze de irrigatie der bedoelde polderlanden volgens de kanaalrichting naar Gansoijen zal geschieden en tevens welke irrigatiewerken hier bedoeld worden; volgens art. 2 der overeenkomst van 23 April 1881 toch wordt het maken van alle irrigatiewerken overgelaten aan en gekweten door het waterschap uit het sub letter a daarvoor bestemd bedrag van f 300,000.

De vraag, of het bestuur van het waterschap de richting naar Gansoijen heeft goedgekeurd, eischt dus, meende men, ook met het oog op de irrigatiewerken, een duidelijk antwoord.

Vragen rezen voorts met betrekking tot de afwatering der landen, die door het kanaal gesneden worden. Mocht de slotvolzin van de M. v. T. de beteekenis hebben, dat duikers voor af- en uitwatering, die moeten gemaakt worden als gevolg van den aanleg van het kanaal, door het Rijk zullen bekostigd worden, dan wenschte men te vernemen, welke duikers zullen worden gemaakt en welke daarmede in verband staande werken zullen worden uitgevoerd.

Ook de scheepvaartbelangen kwamen ter sprake. Zal het kanaal den waterstand op de Dieze niet zooveel verlagen, dat daaruit bezwaar voor de vaart voortvloeit?

Aan het slot van het verslag worden nog eenige bedenkingen besproken, die in de gemeente Baardwijk tegen het kanaal naar Gansoijen zijn geopperd. Voornamelijk betreffen deze den toestand, waarin eenige polders, die door het kanaal doorsneden worden, met betrekking tot afwatering en irrigatie zullen geraken.. Men zou er prijs op stellen, van de Regeering te vernemen, om welke redenen aan die bezwaren niet kan worden te gemoet gekomen.

Men ziet het: aan vragen en opmerkingen geen gebrek!

Het antwoord van den Minister laat zich nog wachten.

Th. S.

AANTEEKENINGEN UIT TECHNISCHE TIJDSCHRIFTEN.

ENGINEERING, Maart 1892. (Bewerkt door I. I. W. van Loenen Martinet.) Een stoomdynamo (ontwerp Kapp.)

Het nummer van 4 Maart geeft een beschrijving van een door Johnson en Phillips geconstrueerden en door Gisbert Kapp ontworpen achtpoligen, langzaam loopenden stoomdynamo, direct gekoppeld aan een door Davey, Paxman and Co. vervaardigde verticale triple-expansiemachine. ,

De dynamo geeft bij 130 omwentelingen per minuut 260 Volts en 550 Ampères. Het anker bevat 362 windingen; het heeft een middellijn van 1.220 M. bij een lengte van 460. m.M.

De ankerkern bestaat uit segmenten van plaatijzer, het frame, de veldmagneten en de poolstukken zijn uit gietijzer vervaardigd ; bij de nieuwste modellen is alleen het frame gietijzer; de overige deelen bestaan uit smeedijzer. De dynamo is overigens in alle bijzonderheden gelijk aan het gewone model der kapp-dynamo's.

De cylinders der stoommachine hebben middellijnen van 305, 475 en 760 m.M., de slaglengte bedraagt 455 m.M. Door een paxman-regulateur en automatische expansie wordt bij vermeerdering der snelheid de stoomtoelaat verminderd.